Plan van WVC: fusie filmfondsen; Filmwereld onder voorwaarden eens met d'Ancona

AMSTERDAM, 3 APRIL. Een meerderheid van de Nederlandse filmmakers is het voorwaardelijk eens met de plannen van minister d'Ancona (WVC) om Productiefonds en Filmfonds tot een fusie te dwingen en een substantieel hoger bedrag jaarlijks aan filmsubsidie te besteden.

Ruim honderd leden van vijf organisaties van filmmakers ondersteunden gisteravond in het Nederlands Filmmuseum een motie met die strekking van hun als Samenwerkende Filmorganisaties (SFO) optredende besturen. Wel was er enige twijfel over de noodzaak van de samenvoeging van beide fondsen, maar het leek de filmers niet opportuun die intentie nu nog trachten tegen te houden. Per slot van rekening, zo meende een woordvoerder van SFO, zijn de initiatieven voor herstructurering niet van de filmers uit gegaan, maar van het ministerie zelf.

Te lang heeft de filmwereld gezwegen of verdeeldheid geëtaleerd, zodat men nu niet anders kan doen dan de nieuwe initiatieven toejuichen. Deze steun wordt afhankelijk gesteld van meer financiële armslag en een duidelijker poging om de filmmakers te betrekken bij wat zij betitelen als "de herstructurering van de Nederlandse filmwereld'. De motie merkt op dat “ons aanbod tot medewerking aan nieuwe structuren en de samenstelling daarvan eerder herhaaldelijk door de betrokken autoriteiten is afgewezen”.

Volgens Wim Verstappen van het Genootschap van Nederlandse Speelfilmers (GNS) heeft hij een brief van de minister ontvangen waarin categorisch wordt gesteld, dat de filmmakers niet mee mogen praten over de voorbereiding van een nieuw Filmfonds. De beide voorzitters van de huidige fondsbesturen, Rinus Haks (Filmfonds) en Jan Blokker (Productiefonds) zouden door de minister uitgenodigd zijn om een model te schetsen voor een nieuw fonds. De medewerking van beide voorzitters valt volgens Verstappen te billijken, omdat anders een extern organisatiebureau die eer ten deel gevallen zou zijn. De filmmakers dringen echter aan op uitbreiding van de voorbereidingscommissie met twee personen uit hun gelederen en zouden ook graag de thans het Filmfonds adviserende Fondsraad, waarvan hun organisaties de leden voordragen, op de een of andere manier zien terugkeren.

Volgens Matthijs van Heyningen (Vereniging van Nederlandse Speelfilmproducenten / NBB) is de benadering van film in het Kunstenplan '93-'96 als positief te beschouwen, omdat voor het eerst serieus rekening gehouden wordt met de noodzaak de rijkssubsidiëring van de filmproduktie fors te verhogen. De SFO wil geen uitspraken doen over de benodigde bedragen, al wordt de oorspronkelijk door de minister genoemde vijf miljoen gulden per jaar extra natuurlijk meer toegejuicht dan de 3,3 miljoen verhoging die de Raad voor de Kunst adviseerde.

Er is echter ook sprake van nog eens vijf miljoen, die uit bezuinigingen op de omroeporkesten zou gehaald kunnen worden en van een extra inspanning van het bioscoopbedrijf, dat collectief een miljoen per jaar aan een produktiefonds zou willen afstaan. Als de verhoging van het rijksfilmbudget minder dan vijf miljoen zou bedragen, bij voorbeeld door amendering van het Kunstenplan in de Tweede Kamer, overweegt de Nederlandse Bioscoop Bond zijn bijdrage ook proportioneel te verminderen.

In de advisering over het Kunstenplan verhoogt de Raad voor de Kunst de filmsubsidiëring slechts met 3,3 miljoen gulden. Slachtoffer van deze lagere verhoging dan d'Ancona aanvankelijk toegezegd had, is niet zozeer de filmproduktie (die 2,3 miljoen gulden extra ontvangt) maar de activiteiten van het Nederlands Filmmuseum en in mindere mate de drie grote festivals en het bureau Holland Film Promotion. Vertegenwoordigers van deze organisaties mochten op de gecombineerde ledenvergadering van de SFO niet het woord voeren.

Een eerste poging om ook deze sectoren van de filmwereld op een lijn te krijgen stuitte vooralsnog op problemen. Verstappen weet de misverstanden tussen beide groeperingen aan een te korte voorbereidingstijd en ging er van uit dat in nader overleg wel een gemeenschappelijke noemer geformuleerd zou kunnen worden bij het tegemoet treden van de plannen van de minister. Het zou er nu in eerste instantie slechts om gaan de "echte filmmakers' op een lijn te krijgen: ondersteuning van de opheffing van beide filmfondsen, meer zeggenschap en een forse verruiming van de middelen.