Oma heeft te lang gesloofd; De toevallige en gefornsceneerde foto's van Annie Leibovitz

Photographs Annie Leibovitz 1970-1990. Uitg. Harper Collins Publishers, 232 blz. Prijs ƒ 123,-

Aan het eind van de jaren zeventig begon de Amerikaanse fotografe Annie Leibovitz zogenaamde glamourfoto's te maken. In het onlangs verschenen, prachtige boek met een overzicht van haar werk sinds 1970 is dat goed te zien. Halverwege het boek en halverwege haar carrière is er het portret van Muhammed Ali, alias Cassius Clay. Geheel in het zwart gekleed ligt hij over de onderste, roodbetapijte treden van een monumentale trap gedrapeerd. Vermoedelijk is de foto nauwelijks in scène gezet: de trap was toevallig voorhanden en Ali even toevallig in het zwart gestoken. De fraaie rood/zwart-combinatie bood zich dus aan.

Tot die foto was het toeval hoofdrolspeler geweest. Al gaat het in de eerste helft van het boek veelal om portretten van beroemdheden, het is toch "sociale' fotografie. Het onderwerp wordt "betrapt', de camera vangt "het moment' waarover bij voorbeeld Magnum-fotografen zo aardig kunnen uitweiden zonder ooit in staat te zijn met woorden de essentie weer te geven die hun platen direct en als vanzelfsprekend tonen. "Het moment' is het conglomeraat van gebeurtenis, dramatis personae, compositie, kleur, camera-standpunt - en ieder element op z'n uitzonderlijkst. Wie weet had de fotograaf een seconde later een nog veel betere foto gemaakt, maar dat is niet belangrijk. Van belang is het gevoel dat deze foto de beste is.

Dat gevoel berust op herkenning en verrassing, in het algemeen en in ieder geval bij Leibovitz' foto's. Het doet er niet toe of zij nu haar eigen ouders in bed fotografeert, haar oma bij haar fornuis, een onderuit gezakte Ray Charles in zijn hotelkamer of het travestiete fenomeen Divine in de kleedkamer. Al die foto's zeggen iets over het onderwerp, zoals een vakantiekiekje van palmbomen over de reisbestemming, maar het bijzondere van Leibovitz is dat het beetje dat zij vastlegt alles lijkt te zijn. Haar beelden bezitten de kracht van het laatste woord, van een definitieve biografie. Zo hebben haar ouders een gelukkig huwelijk, heeft haar oma een leven lang te hard gesloofd, is Charles een ontspannen topartiest en Divine tragisch.

Doodskop

Op de foto's in de eerste helft van het boek hebben de betrokkenen zelf nauwelijks invloed kunnen uitoefenen. Gelukkig maar: de krankzinnige plaat, uit 1975, van Mick Jagger tijdens wat niet anders kan zijn dan het hoogtepunt van een concert was anders nooit gemaakt. Wij hadden ons dan niet kunnen verbazen over dat (nog net als Jagger herkenbare) geraamte met een microfoon in zijn hand, met angstwekkend gezwollen aderen in de nek en daarboven een opengesperde mond in een doodskop, met blauwe mascara ter hoogte van de oogkassen. Het is geen vleiende foto in esthetische zin, wel in documentair opzicht. De vereeuwiging van dat ene moment maakt Jagger de exponent van een tijd en van een roem die niet is komen aanwaaien.

De foto is gemaakt in de tijd dat Leibovitz voor het tijdschrift Rolling Stone reportages over popartiesten maakte. In 1983 stapte zij over naar Vanity Fair, maar al eerder keerde ze zich af van het toeval en waagde ze zich aan de mise en scène. In een vraaggesprek dat het boek inleidt, vertelt ze hoe een in vriendschappelijke sfeer verlopende opnamesessie met John Lennon haar bewust maakte van haar betrokkenheid bij haar onderwerp. Objectiviteit, besefte ze, bestaat niet. Van daar naar een nadrukkelijk poserend onderwerp is een kleine stap.

Na de foto van Muhammed Ali bepalen de geënsceneerde portretten dan ook de toon van het boek. Vele zijn beroemd geworden: de naakte John Lennon die zich (enkele uren voor zijn gewelddadige dood) in foetushouding aan het lichaam van een ogenschijnlijk koele Yoko Ono vastklampt, een "slapende', onder een vracht rozen bedolven Bette Midler, een met modder ingesmeerde naakte Sting, op één been balancerend in de even uitgestrekte als uitgedroogde Lucerne Valley in Californië, de uit het badschuim stekende ledematen van Whoopi Goldberg. Het zijn allemaal resultaten van een nieuwe werkwijze, bepaald door een staf aan stilisten, kappers en belichters. En door de geportretteerden zelf.

In de jaren vijftig liet Philippe Halsman beroemdheden voor zijn vermaarde "Jump-Pictures' in de lucht springen. Dat ontregelde hun imago. Iets soortgelijks doet Leibovitz, maar er is één groot verschil: de ontregeling berust niet zoals bij Halsmans foto's op een uniforme kunstgreep (de sprong) maar op een op ieder individu toegesneden concept. Dat levert een geretoucheerd beeld op, als het ware. Leibovitz' beroemdheden worden niet langer betrapt, maar bepalen mede hoe zij vastgelegd worden.

Het fascinerende nu is dat die veilige aanpak minstens zo onthullend is, vergelijkbaar met een door de geïnterviewde zelf geschreven interview. Wat wil hij laten zien? En hoe? Leibovitz legt met haar geënsceneerde foto's niet minder dan fantasmen vast. Haar camera lijkt nog slechts te bemiddelen in het contact tussen geportretteerde en de buitenwereld. Legde zij voorheen een tijdsbeeld vast, nu toont ze de psyche van het individu. Zij maakt haar slachtoffers medeplichtig. En licht vervolgens met chirurgische precisie hun schedel.