In Nederland was ik de Raspoetin van het toneel; Karst Woudstra over de noodzaak tot nederigheid

“Schrijven is voor mij iets beangstigends omdat ik merk dat er dingen naar boven komen die ik diep had weggestopt.” Karst Woudstra is vertaler en regisseur van toneelstukken van de Zweedse schrijver Lars Nóren, maar soms schrijft hij ook zelf toneel. In Den Haag gaat morgen "Een zwarte Pool' in première, over de relatie tussen twee bevriende echtparen. Een gesprek met Karst Woudstra.

door Noor Hellmann

Reizen wordt zelfs Karst Woudstra soms te veel. Toen hij, onlangs, dagelijks heen en weer vloog van Antwerpen naar Stockholm wist hij na verloop van tijd nauwelijks meer waar hij was. Met moeite heeft hij het veertien dagen vol weten te houden. Toch is hij wel wat gewend. Het grootste deel van het jaar brengt hij door in huurappartementen en pensions. Thuis, in Amsterdam, is hij bijna nooit, of het moet zijn om zijn koffer in en uit te pakken.

Karst Woudstra, geboren in 1947 in Leiden, is altijd al veel onderweg geweest. Tijdens en na zijn studie Skandinavistiek, Italiaans en dramaturgie zwierf hij door Europa. Hij woonde een tijd in Zweden en daarna een paar jaar hier. In die periode werkte hij als dramaturg, regisseur en vertaler bij verschillende gezelschappen: Fact, RO Theater, Theater, Globe, Publiekstheater. Tegenwoordig is hij meestal in België om voorstellingen te regisseren bij onder andere de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel.

Wanneer ik hem ontmoet is hij in Kortrijk, een kleine welvarende stad die te boek staat als het Dallas van België. Daar, in de uit 1920 daterende schouwburg, monteert hij Herfst en Winter van de Zweedse schrijver Lars Norén (1944), een voorstelling die hij bij het Antwerpse gezelschap Antigone heeft geregisseerd.

Op de avond een dag voor de première zijn de vier acteurs - drie vrouwen en een man - gespannen en vermoeid na een lange repetitiedag. Misschien komt het daardoor dat ze al meteen aan het begin van de voorstelling, die bij wijze van try-out wordt gespeeld voor een groepje Kortrijkse studenten, bijna twee bladzijden tekst overslaan. Wie het stuk voor het eerst hoort merkt er niets van, maar de acteurs zelf zijn ontdaan over deze blunder. In de pauze praten ze druk door elkaar heen en vragen zich zorgelijk af hoe dit kon gebeuren. Een dag eerder ging het eerste bedrijf onvergelijkelijk veel beter, daarover zijn ze het met Karst Woudstra eens.

Maar alles kan plotseling ten goede keren, zo blijkt ook deze avond. Na de pauze is het of de spelers vleugels hebben gekregen. Het matte spel heeft plaats gemaakt voor scherpe one-liners en alerte reacties. Nu pas wordt duidelijk hoe geestig de tekst is, ook al is de confrontatie tussen de personages - een oude huisarts, zijn vrouw en hun twee volwassen dochters - pijnlijk en hard.

Tevreden

Na afloop gaan spelers en regisseur naar een café. Woudstra is goed gehumeurd en redelijk tevreden. Als de voorstelling na een paar uitvoeringen meer vaart krijgt, zal Norén geen reden tot klagen hebben, denkt hij. De schrijver is van plan een keer te komen kijken, maar volgens Woudstra zal daar voorlopig geen sprake van kunnen zijn als gevolg van een blaasontsteking.

Karst Woudstra is goed bevriend met Lars Norén. Die persoonlijke band is ontstaan toen hij Noréns eerste stuk, De Vorstenlikker uit 1973, had vertaald en Franz Marijnen het stuk bij het RO Theater regisseerde. Die uitvoering kwam vijf jaar nadat de voorstelling in Stockholm voortijdig van het repertoire was genomen wegens vermeende fascistoïde tendensen.

Norén schreef, onder de indruk van de woedende reacties, in die vijf jaar geen toneel meer, hij begon daar pas weer mee in de nacht nadat hij Woudstra had ontmoet. Sindsdien produceert Norén in hoog tempo stukken waarin meestal sprake is van een haat-liefde verhouding tussen broers en zussen, ouders en kinderen, of tussen echtgenoten onderling. Al dat werk heeft Woudstra vertaald en hier geregisseerd. Norén, die een enkele keer is komen kijken, was zo te spreken over deze uitvoeringen dat hij er bij Woudstra op aandrong Zomer, het nieuwste speciaal voor hem geschreven stuk, bij het Stockholmse gezelschap Dramaten te komen regisseren. Dat is kort geleden gebeurd.

Op de dag dat Herfst en Winter, een stuk dat met Zomer deel uitmaakt van een "burgerlijk kwartet', in Kortrijk in première gaat vertelt Woudstra dat de regie van Zomer in Zweden “een gigantisch gevecht” was. “In Zweden wenen en snikken de acteurs veel meer dan hier. Door die dramatiek blijven ze hangen in een monoloog. Een voorstelling als Herfst en Winter duurt daar zeker een uur langer dan bij ons. Dat komt door de consequente toepassing van de Stanislavski-techniek: dan gaat de blik op oneindig en begint het herbeleven van emoties. Norén vindt dat herbeleefde spel verschrikkelijk, maar hij is te bescheiden om er iets van te zeggen.

“Ik wilde de Zweden laten ontdekken hoe leuk en licht Norén kan zijn, maar dat was voor iedereen wel even wennen. Jan Blomberg, een acteur die in Engeland zijn opleiding heeft gehad en zijn leven lang gewerkt heeft bij Dramaten, kon aansluiten bij de Engelse traditie van acteren. Hij vond het heerlijk dat hij die kans kreeg en uiteindelijk vonden de anderen het ook een prettige ervaring. Na de première was ik duizelig van alle lof die ze mij toezwaaiden.”

Woudstra praat graag en veel, onderwijl drinkt hij koffie en rookt een snel slinkend aantal sigaretten. Aansporing tot vertellen heeft hij niet nodig en als hij na uren aan het woord te zijn geweest zijn zwart leren jack aantrekt en zijn baseballpet opzet om naar zijn appartement te gaan, toont hij geen spoor van vermoeidheid.

Ouderdomsparanoia

Aan de vier maanden voorbereidingstijd die Woudstra bij Dramaten kreeg had hij maar net genoeg doordat de repetities met pech begonnen. “Een van de hoofdrollen zou gespeeld worden door Gunnel Lindblom, een actrice die gewerkt heeft met Ingmar Bergman. Plotseling werd ze erg ziek, ze moest naar het ziekenhuis en we dachten dat ze misschien nooit meer zou terugkomen. Het kostte een week voordat iedereen hersteld was van die klap. De actrice die we hadden aangetrokken om haar te vervangen bleek last te hebben van ouderdomsparanoia. Dat was rampzalig. Ze was heel achterdochtig en had voortdurend het idee dat er complotten tegen haar werden gesmeed.

“De anderen werden gek van haar, maar ik heb ondanks alles gefascineerd naar haar gekeken. Ze had een ongelofelijk leven achter de rug met hartstochtelijke liefdeservaringen. Bovendien was ze een ouderwets soort actrice die vond dat een goede repetitiedag volgens een bepaald patroon moet verlopen met ruzies, lach- en huilbuien. Als dat niet gebeurde provoceerde ze het; op den duur gingen het stuk en de werkelijkheid steeds meer op elkaar lijken. We hebben haar er uiteindelijk vriendelijk uitgewerkt en toen bleek dat Gunnel Lindblom toch kon terugkomen. Dat was fantastisch: om in zo'n uithoek te werken met iemand die een vleug van de grote wereld met zich meedraagt.”

Ondanks de vreugde die Woudstra aan zijn eerste Zweedse regie heeft beleefd, staat hij naar zijn zeggen niet te trappelen om het nog eens te doen. Werken met beroemde acteurs, zo geeft hij toe, vond hij “doodeng”. Minstens zo zenuwslopend was dat Norén af en toe kwam kijken. Woudstra: “Ik vroeg me af of hij dan zag hoe het zou worden. Weliswaar had hij een grenzeloos vertrouwen in mij, maar ook dat was weer beangstigend. Toch is het niet zo dat ik daardoor verlamd raak: in mijn hart zou ik graag een klassieker met een topbezetting bij Dramaten regisseren. Het is zo'n groot ensemble dat je zelfs voor de kleinste rollen de beste mensen kunt krijgen.”

Er zijn nog andere redenen waarom Woudstra met gemengde gevoelens terugdenkt aan zijn verblijf in Stockholm: “Ik kreeg heimwee en opeens ging ik me overal aan ergeren zodat ik steeds liep te vloeken en te tieren. Na een paar weken werd ik bovendien gek van dat Zweeds, het deed bijna pijn aan mijn mond. Ik heb er zeven jaar gewoond, maar het blijft een aangeleerde taal waardoor je onbewust altijd in je hoofd aan het vertalen bent. Ik was van plan daar aantekeningen voor een nieuw stuk uit te werken, maar doordat ik mijn eigen taal niet hoorde wist ik op het laatst niet meer hoe ik een Nederlandse zin op papier moest zetten.”

Confrontaties

Sinds 1981 schrijft Karst Woudstra toneel. In dat jaar ging, onder leiding van Gerardjan Rijnders bij Globe, Hofscènes in première: een stuk over de relatie tussen de Spaanse koning Philips II en zijn oudste zoon Don Carlos. Woudstra's latere stukken, zoals Een hond begraven en De linkerhand van Meyerhold behandelen eveneens confrontaties tussen familieleden, al gaat het daarin om mensen uit deze tijd. In zijn nieuwste stuk Een zwarte Pool, dat morgen door het Nationale Toneel in Den Haag wordt uitgebracht, beschrijft hij hoe de relatie tussen twee bevriende echtparen stukloopt. De vijfde persoon die daarbij aanwezig is en zijn eigen gang gaat, is een Pool - een rol die in werkelijkheid ook door een Poolse acteur wordt gespeeld.

Al zijn werk, zegt Woudstra, schrijft hij voor bepaalde regisseurs of acteurs. Zonder die impuls is schrijven voor hem ondenkbaar. Hofscènes, dat hij na lang aandringen en veel uitstellen uiteindelijk in een kamer in Florence in één ruk op papier heeft gezet, schreef hij uit liefde voor Gerardjan Rijnders. Woudstra: “Alleen omdat ik het voor hem deed was het voor mij acceptabel. Tot dat moment wilde ik nooit iets met toneel te maken hebben.

“Mijn vader heeft zo'n twintig Friese stukken voor amateurgezelschappen geschreven. Hij regisseerde ook. Hij heeft mij op alle mogelijke manieren geprobeerd te dwingen iets met toneel te doen. Al het andere mocht niet. Ik heb me er hevig tegen verzet vooral ook omdat toneel bij ons thuis grote conflicten veroorzaakte: mijn moeder haatte het.

“Op mijn zevende heb ik een zelfmoordpoging gedaan. Ik kan me nog goed het moment herinneren dat het mislukt was en ik dacht: dit mag ik dus blijkbaar ook al niet. Om daarna in die familiale hel te kunnen overleven had ik een fictieve wereld nodig waar ik wel aan mijn trekken kwam en de liefde kreeg die ik miste. Schrijven heb ik heel lang als een therapie gezien, niemand mocht er naar kijken. Ik weet nog dat ik heel gegeneerd was toen iemand eens een roman van zeshonderd bladzijden van mij onder ogen kreeg, die ik alleen voor mezelf had bedoeld.”

Nadat hij Hofscènes had gepubliceerd spoorde Lars Norén hem aan door te gaan met schrijven. Een tijd lang durfde hij niet omdat wat hij wilde maken, naar zijn idee, te dicht lag bij het werk van Norén en dat kon hij niet evenaren. Woudstra: “Toen ik uiteindelijk toch begon aan Een hond begraven eiste Lars dat ik hem iedere avond zou bellen om te vertellen hoe het ging - dat deed ik toen in het station want een telefoon had ik niet.

“Die gesprekken werkten kalmerend. Schrijven is voor mij iets beangstigends omdat ik merk dat er dingen naar boven komen die ik diep had weggestopt. Ik ontdekte dat ik in staat was de sluis naar het onderbewustzijn open te zetten en dat ik de stroom enigszins kon kanaliseren, maar dat er toch woorden en beelden op papier kwamen waarvan ik niet begreep dat ze van mij afkomstig waren. Een hond begraven heb ik na de eerste versie nooit meer ingezien. Het materiaal was te gruwelijk. Nu is de angst beter beheersbaar. Van Een zwarte Pool heb ik bij voorbeeld drie versies gemaakt. Het is eigenlijk net als met parachute springen: de eerste keer kots je van angst, na vijf keer begin je het leuk te vinden. Dan wordt het verslavend.”

Niettemin heeft Karst Woudstra moeite achter de schrijftafel te gaan zitten. Hij noemt zichzelf een sociaal iemand die het liefst met acteurs werkt. Heel anders, zegt hij, ligt dat bij Lars Norén: “Bij hem is het isolement er al. Hij moet juist via zijn werk proberen de wereld te veroveren. Het werkelijkheidsgehalte van zijn stukken moet zo hoog mogelijk zijn en daartoe plundert hij zijn omgeving. Hij gaat daar echt ver in: zijn teksten zijn opgebouwd uit wat mensen letterlijk gezegd hebben. Hij luistert om die reden bij voorbeeld telefoongesprekken af. Hoewel hij de betrokkenen naderhand op de hoogte stelt, heeft hij grote schuldgevoelens over zijn voyeuristische gedrag. Ik werk anders: ik houd ervan figuren en situaties te bedenken en om fictie en realiteit door elkaar te husselen.”

Dat zowel Woudstra's stukken als regies psycho-realistisch zouden zijn, is naar zijn mening een vooroordeel waar hij tegen worstelt. Hij legt uit geïnteresseerd te zijn in de manier waarop psychologische, sociologische en historische processen op elkaar inwerken. “Ik probeer na te gaan in welke mate sociaal-historische aspecten van invloed zijn op de psyche van individuen en andersom. Die wisselwerking wil ik analyseren aan de hand van een probleem uit deze tijd - daarom zal wat ik schrijf nooit voor de eeuwigheid zijn.

“Mij gaat het om de reacties van mensen op zo'n probleem. In Een zwarte Pool is dat de te verwachten stroom van immigranten uit het Oostblok. Uit die reactie spreekt een angst voor alles wat vreemd is. Ik laat zien dat ze daardoor gaan verlangen naar een utopische samenleving waar iedereen veilig is en alles zijn vaste plaats heeft. Ik vind het raar dat niemand ooit op dat aspect in mijn werk reageert.”

Evenwicht

Op de vraag naar de kwaliteiten van de regisseur Karst Woudstra, blijft hij, voor het eerst tijdens het gesprek, het antwoord schuldig. Dan, na enig nadenken: “Ik bewonder nederige regisseurs. Een regisseur is geen kunstenaar, vind ik. Hij bemiddelt tussen het kunstenaarschap van de auteur en de acteurs. Een echt goede regisseur vernietigt zichzelf: die zie je niet in een voorstelling en dat betekent dat hij erin is geslaagd de tempi van de acteurs in evenwicht te brengen met het tempo van de schrijver.

“Zover ben ik nog lang niet, maar ik weet dat ik na al die jaren in elk geval in staat ben voorwaarden te creëren waardoor acteurs zo goed mogelijk kunnen functioneren. Dat wil zeggen: ik neem een decor dat ze niet hindert, ik gebruik geen dwingende mise-en-scène en ik zorg ervoor dat ze zich veilig voelen. Het belangrijkste voor mij is dat acteurs weten wat ze doen en waarom. De acteurs noch het stuk zal ik aan een vorm opofferen, dat is vernederend.

“Bij regisseurs als Kantor en Mnouchkine zie je het tegenovergestelde: zij bewerkstelligen de totale ontindividualisering van een acteur, van zijn persoonlijkheid en zijn intelligentie wordt geen gebruik gemaakt. Mnouchkine knijpt haar spelers af, ze zijn gedrild. Een voorstelling van haar maakt niet kritisch: die verdooft. Je verdrinkt erin.”

Het is voor een regisseur veilig zich achter een dwingende vorm te verbergen, meent hij. Soms vraagt hij zich af waarom hij dat zelf ook niet eens zou proberen want wie de inhoud van het stuk voorop stelt kan lang niet altijd op begrip rekenen. Als voorbeeld haalt hij Roberto Zucco van Bernard-Marie Koltès aan, een stuk dat hij begin van dit seizoen ensceneerde bij het Noord Nederlands Toneel in Groningen.

“Ik ben toen zo dicht mogelijk bij de inhoud van het stuk gebleven door consequent hysterie tegenover zwijgen te zetten, lawaai tegenover stilte. Uit de reacties in de pers bleek dat niemand zich raad wist met die ongebreidelde hysterie in de voorstelling. In Nederland is men dat niet gewend en het wordt dan ook niet aanvaard. Als gevolg van de negatieve publiciteit is de voorstelling na zes keer van het programma gehaald. Daaruit sprak een vorm van onverdraagzaamheid die volgens mij ook gericht was tegen Evert de Jager en zijn gezelschap.”

Eerder in het gesprek heeft Karst Woudstra opgemerkt dat theaterpolitiek zijns inziens een belangrijke rol speelt in het Nederlandse toneel en dat zou ook bij de beoordeling van Roberto Zucco op de achtergrond hebben meegespeeld. De macht van mensen die theaterpolitiek bedrijven is soms groot, zo heeft hij in de jaren tachtig ondervonden toen hij in dienst was van het Publiekstheater. Die periode bij het Amsterdamse gezelschap was voor hem een "bittere' ervaring, eindigend met zijn vertrek na jaren van onenigheid tussen hem en de directie.

Woudstra: “Ze hebben mij indertijd binnengehaald als de golden wonderboy die de groep overeind moest zien te houden. Toen ze na drie maanden vonden dat ik als artistiek leider was mislukt, hebben ze me als een baksteen laten vallen. Intussen moest ik wel aanblijven als regisseur totdat Gerardjan Rijnders de boel zou kunnen overnemen. Ik vond ook dat hij dat moest doen want hij heeft zowel uitstekende artistieke als zakelijke kwaliteiten: hij kan met politici praten. Ik ben wat dat betreft een zwakke broeder.

“Toch ben ik, en dat is zo bizar, altijd als een concurrent van Rijnders beschouwd, als iemand die zijn plaats in de schouwburg bezet hield. Ik gold als een soort Raspoetin van het toneel. Drie jaar heb ik het op die manier volgehouden. Ik was half verdoofd van verdriet en ik heb bekers gal moeten leegdrinken, maar werken hield me overeind. Ik woonde in het repetitielokaal - alleen daar ben ik gelukkig.

“De laatste voorstelling die ik bij het Publiekstheater heb gemaakt is Stilte van Norén. Nu was het de gewoonte dat de directie na de première naar achter kwam, maar toen kwam niemand. Die lege gang is het laatste beeld dat ik van het gebouw heb: tien minuten na afloop van de voorstelling stond ik op straat en ik ben nooit meer teruggekomen.”

Bezetenheid

Woudstra vertrok naar België waar hij gastvrij werd onthaald. Het klimaat daar noemt hij fantastisch: hoewel het Belgische toneel nauwelijks geld heeft is de bezetenheid van theatermakers en acteurs er des te groter. Toch bleek Woudstra Nederland niet definitief de rug toegekeerd te hebben: de afgelopen jaren maakte hij hier zeker één produktie per seizoen. Ook volgend seizoen zal hij hier enkele stukken regisseren, waaronder een nieuw stuk van hemzelf.

Woudstra beweert dan ook niet rancuneus te zijn. En miskend door Nederlandse theatermakers? Welnee! antwoordt hij hartgrondig. “Als er onredelijke eisen aan je worden gesteld raak je gefrustreerd,” legt hij uit. “Daarom hield ik het niet vol. Sinds die geschiedenis heb ik een hekel aan de Stadsschouwburg gekregen en ik wil er nooit meer een produktie ensceneren - nog afgezien van het feit dat het een rampzalige ruimte is om in te werken. Maar dat heeft verder niets te maken met mijn gevoelens voor Nederland: ik werk er graag.”