"Ik heb veel goeds voor de Soedanezen gedaan'

Jaafar Numeiry, ex-president van Soedan, droomt van een triomfantelijke terugkeer naar Khartoum. Maar zijn vroegere onderdanen noemt hij lui en oneerlijk.

KAIRO, APRIL. In de ontvangstkamer vol vergulde stoeltjes in zijn villa in Kairo droomt de Soedanese ex-president Jaafar Numeiry van een triomfantelijke terugkeer naar Khartoum.

“Dit is de president”, zegt de begeleider. Een rijzige man, een spierwitte witte doek met een van gouddraad geborduurd sterrenpatroon om het hoofd gewikkeld, die zit te turen naar rode en blauw-geel gestreepte vissen in drie grote aquaria, kijkt op. De smetteloos witte galabiya valt soepel om zijn lichaam. “Het Soedanese volk en ook het leger roepen om mijn terugkeer”, zegt hij op zachte toon. “Vanuit Soedan word ik benaderd om mee te werken aan het ten val brengen van de door het volk gehate junta van generaal Beshir. Heel spoedig zullen we daarin slagen en Soedan weer op het juiste spoor zetten. We hebben onze eigen organisatie - de samenwerkende volkskrachten - om deze taak te volbrengen. We hebben vertakkingen in het leger, in de zakenwereld en bij de arbeiders. Onder het huidige islamitische regime wordt Soedan door de wereld als een terroristische staat beschouwd. Ten tijde van mijn presidentschap (van 1969 tot 1985) was dat anders. Met een Soedanees paspoort was je overal welkom. Nu worden Soedanezen bij grensposten achterdochtig aangekeken.”

Op de terugreis van een officieel bezoek aan Washington werd Numeiry in 1985 door een militaire staatsgreep ten val gebracht. De samenzweerders beschuldigden hem van wreedheid en corruptie en hebben jarenlang zijn uitlevering van Egypte geëist om hem voor de rechtbank te kunnen slepen. President Hosni Mubarak, die hem onderdak heeft verleend in een zwaar bewaakte villa tegenover zijn paleis in Heliopolis, houdt deze ex-bondgenoot echter de hand boven hoofd.

Zoals het een afgezette president betaamt begrijpt Numeiry niet waarom hij aan de kant werd gezet. “Corruptie? Nee. Ik heb op geen enkele bank een fortuin staan. Anders zou ik niet zó (de rode lopers op de trappen naar de ontvangstkamer zijn gerafeld en versleten) wonen, maar in een paleis, en geen geld van vrienden hoeven te vragen voor een vliegbiljet. Wreed? Ik heb veel goeds voor het Soedenese volk gedaan.”

Numeiry, die zich ontwikkelde van een communistische sympathisant tot een vrome moslim, geeft wel toe een grove fout te hebben gemaakt toen hij in 1983 besloot de shari'a, het islamitische rechtenstelsel, in Soedan in te voeren. Met deze daad wakkerde hij het vuur weer aan van de in 1972 door hem bedwongen burgeroorlog met de grote christelijk/animistische gemeenschap in Zuid-Soedan. “Ik moet toegeven dat het luie en oneerlijke Soedanese volk niet rijp was voor de introductie van de shari'a. Shari'a kan alleen maar goed werken met goede en rechtschapen moslims. Omdat dit er in Soedan aan schortte ging het mis. Na grondige studie was ik tot de conclusie gekomen dat de invoering van het politieke en juridische idee van de islam voor Soedan het beste was. Ons volk placht dag en nacht te drinken en loog als gekken. De meerderheid jatte als raven. Ik dacht dat de shari'a daar een einde aan zou kunnen maken.”

Numeiry beklaagt zich dat zijn goede bedoelingen bij de introductie van de shari'a in Soedan niet tot hun recht zijn gekomen door toedoen van tot de Moslsimbroederschap behorende rechters. Hun excessief scherpe vonnissen zette het volk tegen zijn regime op. “In hun handen werd de shari'a een wapen tegen mij”, zegt hij.

Numeiry doet zijn uiterste best om daaraan zijn val toe te schrijven. De arrestatie van een groot aantal moslim-fundamentalisten en leden van de Moslimbroederschap in 1984 en 1985 kwam te laat om het tij tegen zijn bewind in Soedan te kunnen keren.

Dat de staatsgreep die hem in ballingschap dreef, iets te maken zou hebben met de weer uitgebroken opstand van de Zuidsoedanezen tegen Khartoum wijst hij van de hand. “De christenen aanvaardden in 1983 de invoering van de shari'a”, werpt hij tegen. “Toen het verzet tegen mijn bewind groeide, zeiden de groeperingen die tegen mij ageerden dat de christenen de shari'a niet hadden aanvaard. Dat is een voorwendsel en een leugen tegelijk. De christenen wisten dat de shari'a een alomvattend rechtenstelsel is, dat geen onderscheid maakt tussen moslim en christen.”

Met de Sovjet-Unie op de achtergrond hebben de Libische leider Gaddafi en de Ethiopische president Mengistu volgens Numeiry met subversieve acties de hand gehad in zijn val. Moskou had nog een appeltje met hem te schillen omdat hij nog voor de Egyptische president Anwar Sadat dat deed, zijn Russische adviseurs in 1982 eruit had gegooid.

De breuk met de Sovjet-Unie was een geleidelijk proces geweest. Zijn sterke oriëntatie op Moskou ten tijde van en nog lang na zijn staatsgreep van 1969 legt Numeiry uit als het directe gevolg van de grote kracht van de communistische partij in Soedan en de sterke positie van de Sovjet-Unie in Afrika. Onder invloed van president Sadat opteerde hij voor een Westerse - Amerikaanse - oriëntatie. Na het historische bezoek van Sadat aan Jeruzalem was Numeiry de eerste Arabische leider die de vrede met Israel steunde.

Nog steeds gelooft hij dat vrede tussen Israel en de Arabische wereld tot de mogelijkheden behoort en dat Israel in het Midden-Oosten kan worden opgenomen als een volwaardige staat. “Dat kan gemakkelijk”, zegt hij. “Ten tijde van onze profeet Mohammed woonden er al joden in dit deel van de wereld.”

Numeiry ontkent tientallen miljoenen dollars te hebben geïncasseerd in ruil voor een uitreisvergunning voor falasha's (joden) die uit Ethiopië naar Soedan waren gevlucht. Hij doet het voorkomen alsof hij nooit heeft beseft dat de falasha's joden waren. Voor de ontlasting van het zwaar op Soedan drukkende vluchtelingenprobleem kwam het hem wel goed uit dat een “in mijn land verblijvende kleine stam” naar Europa werd gevlogen. “Ik kende de geschiedenis van de falasha's niet en ik heb ze beslist niet naar Israel gestuurd. Het stond hun natuurlijk vrij vanuit Europa te gaan waar ze wilden.”

Ondanks zijn geschiedenis van politieke terreur tegen zijn tegenstanders in Soedan doet Numeiry zich nu voor als een gematigde, wijze man die het moslim-fundamentalisme volledig afwijst. Het recente optreden van het Algerijnse leger om een fundamentalistische verkiezingsoverwinning te verijdelen heeft zijn volledige instemming. “De Algerijnse militairen hebben hun land en ook het Midden-Oosten van iets slechts gered”, vindt hij.