Het was vroeg in de ochtend. De zon was net op en ...

Het was vroeg in de ochtend. De zon was net op en het bos was nog nevelig en nat. Het web van de spin glinsterde en de karper stak zijn mond boven water, midden in de rivier, en geeuwde.

De olifant stond onder de eik en dacht: zal ik naar boven klimmen?

Hij wist zeker dat hij, als hij eenmaal boven was, naar beneden zou vallen en terecht zou komen op de plaats waar hij stond.

“Wat moet ik daar boven doen?” vroeg hij hardop aan zichzelf.

“Niets”, antwoordde hij. “Dus moet ik ook niet gaan.”

Hij draaide zich een halve slag om.

“Hallo”, riep hij.

Hij meende een stem te horen, vlak naast hem die zei: “Doe niet zo flauw. Klim toch naar boven!”

Hij kende die stem, maar hij wist niet wie er bij die stem hoorde.

“Hallo!” riep hij opnieuw.

“Ja?” zei de kikker die in de modder had liggen slapen en net uit het water klom.

“Was jij dat?” vroeg de olifant verbaasd.

“Ja hoor”, kwaakte de kikker opgewekt. “Dat was ik en dat ben ik vast nog steeds.” Hij vond dat zó leuk gezegd dat hij omviel en weer onder water verdween.

Daar heb ik niets aan, dacht de olifant. Wat moet ik nu toch doen? Als ik niet ga, doe ik dan flauw? En wat is flauw?

Peinzend klom hij op de onderste tak van de eik. Dus ik ga toch naar boven, dacht hij. Ik wist niet dat ik dat al besloten had. Hij schudde zijn hoofd. Ik word ook nooit wijzer.

De eik was hoog en gestaag klom de olifant verder. Na een tijdje dacht hij nergens meer aan. En toen hij boven kwam was hij - vlak voordat hij misstapte en viel - zelfs vrolijk, zwaaide hij met zijn slurf en riep hij "Ahoi!' tegen iedereen die al wakker was.