Het vogeltje was soms een revolver; Bill Jay over hoedcamera's en het fotograferen van geestverschijningen

De Engelsman Bill Jay schreef een boek over allerlei sensationele nieuwtjes over fotografie die hij in oude fotobladen vond. “Iemand had bedacht dat het laatste beeld dat een stervende op zijn netvlies ontving, enige tijd in stand bleef. Men probeerde dus foto's van dit laatste beeld te maken. Hoe? Daarover zwijgen de persuittreksels van Jay helaas.”

Bill Jay: Cyanide & Spirits. An Inside-Out View of Early Photography. Uitg.Nazraeli Press, 1991 München. Importeur: Idea Books. Prijs ƒ 53,20.

De Engelsman Bill Jay is bij mijn weten geen beroemde fotograaf. Maar hij publiceert ontzaglijk veel over fotografie, als we de korte levensbeschrijving achterin zijn nieuwste boek Cyanide and Spirits mogen geloven. Hij bracht het op den duur tot professor in de kunstgeschiedenis van de foto aan de staatsuniversiteit van Arizona (V.S.)

Dit wil niet zeggen dat zijn beschouwingen een bijzonder geleerde indruk maken. Cyanide and Spirits is duidelijk bedoeld om zelfs de matig in fotografie belangstellende lezer te amuseren.

Ik vind het idee dat eraan ten grondslag ligt ook wel aardig. Jay heeft oude fotobladen doorgenomen op zoek naar indertijd sensationele nieuwtjes daarin. Publicaties als The photographic News of The Amateur Photographer, en daarvan jaargangen die soms tot de jaren zestig van de vorige eeuw terug gaan.

Interessant is zijn boek ook voor wie weten wil hoe er toen over de fotografie geschreven werd. Dat al die beschrijvingen getrouw aan de werkelijkheid waren, kan geloof ik niet worden staande gehouden. Het publiek bleef lange tijd wat lacherig om niet te zeggen beverig tegenover de nieuwe toverkunst staan en de fotojournalist sterkte het in deze houding, want dat was voordelig: zijn lezers lazen graag hoe erg of gek het was.

Allerlei onderwerpen, van de tijd dat je doodstil moest zitten als je voor je portret poseerde, tot het fotograferen van geestverschijningen, kwamen aan de orde in die bladen en werden liefst overdreven voorgesteld - ik geloof niettemin dat Jay het allemaal voor zoete koek opeet.

Primitief

“Waag het een vin te verroeren en ik schiet je een kogel door je kop!” was een der oudste, vanzelfsprekend Amerikaanse, fotografen gewoon uit te roepen, terwijl hij met één hand zijn revolver trok en met de andere de dop van de lens nam. Pas na een minuut of zo werd de lens weer bedekt en al die tijd zat de klant aan die revolver te denken. Je zou wat geven voor zijn gelaatsuitdrukking, maar portretten, op deze manier tot stand gekomen, zijn niet bewaard gebleven. Misschien zijn ze nooit gemaakt.

Ach, er werd zo veel verteld.

Wel waar is het dat, als gevolg van de lange belichtingstijd, de klant wel eens niet kon nalaten met zijn ogen te knipperen, wat tot gevolg had dat hij met gesloten ogen werd afgebeeld.

Geen nood: de fotograaf prikte ze, op het negatief, weer open met een speld.

Dit hulpmiddel kan in ons fotografisch vergevorderde heden niet meer worden toegepast en toch - Jay zwijgt hierover - gebeurt het nog altijd dat de geportretteerde er met gesloten ogen op komt. Het is mij zeer kort geleden - ik moest pasfoto's laten maken - al twee maal gebeurd.

De hedendaagse pasfotograaf doet dit met behulp van een polaroïdcamera die uitgerust is met vier lenzen, zodat er vier foto'tjes tegelijk op de plaat komen. Het licht waarbij dit geschiedt is van een flitsapparaat afkomstig. Het schijnt niet mogelijk te wezen dit op zo'n manier af te stellen dat het verraste slachtoffer pas met zijn ogen knippert, nadat de sluiters alweer dichtgevallen zijn. Of, anders, niet met flitslicht, maar met een continue lichtbron te werken.

Als de klant gewaarschuwd is (na één mislukking) loopt het goed af. Hij prijkt dan wel met een blik in zijn ogen of hij de poorten van de hel heeft zien opengaan.

Vandaag wordt de portretkunst van de beroepsfotograaf aanmerkelijk sneller bedreven dan honderdvijftig jaar geleden, maar zij is overigens nog net zo primitief.

Onuitputtelijke pret verschafte de fotograaf aan de tekenaars van caricaturen, door het feit dat het nodig was lichaam en hoofd van het model zo goed mogelijk onbeweeglijk te maken met steunen en klemmen die op de foto natuurlijk onzichtbaar moesten blijven.

Punch publiceerde in 1886 een tafereeltje in een fotostudio, waarop een neerslachtig kijkende gentleman is te zien, terwijl de kunstenaar, op het punt zijn veertiende poging te ondernemen, vriendelijk zegt: “Zou het u misschien mogelijk zijn wat minder somber te kijken meneer, een halve seconde maar, langer niet?”

Sommige fotografen boden de klant wat opium om hem te kalmeren. Opium werd toenmaals vrij verkocht.

Moordenaar

Wie oude portretfoto's uit die tijd bekijkt - aan moderne albums waarin ze zijn verzameld is geen gebrek - moet toegeven dat het resultaat ondanks de lange belichtingstijden en de hoofdklemmen toch nogal mee kon vallen en dat onze voorouders soms blijmoediger en minder gespannen naar de lens keken dan je zou verwachten. Ik zeg uitdrukkelijk soms, want we krijgen in die moderne albums hoogstwaarschijnlijk alleen de best geslaagde staaltjes van negentiende-eeuws fotografisch vakmanschap te zien.

De fotografie bracht menigeen het hoofd op hol.

Men achtte goede fotografen tot allerlei dingen in staat, die zij niet konden volvoeren.

Iemand had bedacht dat het laatste beeld dat een stervende op zijn netvlies ontving, enige tijd in stand bleef. Men probeerde dus foto's van dit laatste beeld te maken. Hoe? Daarover zwijgen de persuittreksels van Jay helaas.

Het fotograferen van het laatste beeld dat was opgevangen op het netvlies van een stervende leek van groot belang voor de misdaadbestrijding. Het laatste beeld op het netvlies van een vermoorde zou allicht het portret van zijn moordenaar zijn. Jay geeft lange fragmenten uit de haast eindeloze polemieken die over deze kwestie werden gevoerd. Voor wie weet dat het allemaal onzin was, dat er geen beelden achter blijven op het netvlies van stervenden en dat de fotografen die zogenaamd foto's van deze beelden maakten zonder enige twijfel bedriegers zijn geweest, vormen de hieraan gewijde artikelen geen bijzonder onderhoudende lectuur.

Maar het is natuurlijk leuk dat Jay een en ander eens heeft opgegraven. Hetzelfde geldt voor het hoofdstuk over hoedcamera's. Hoedcamera's waren toestelletjes die gemakkelijk verstopt konden worden, bij voorbeeld in een bolhoed. Elk fotografiemuseum bezit er tientallen.

Geslaagde foto's met zo'n hoedcamera gemaakt, zijn daarentegen uiterst zeldzaam.

Ik denk dat de meeste amateurs die, zich bij voorbaat verkneukelend, hadden gehoopt de medemens met een verborgen camera in schandelijke of belachelijke situaties op de lichtgevoelige plaat vast te leggen, al gauw ondervonden dat er niet veel van terecht kwam.

Eigenlijk zou in onze tijd, nu er ultra-snelle negatieffilms bestaan, nu camera's niet alleen de juiste belichtingstijd, maar ook de afstand automatisch instellen, het ideale tijdperk voor de hoedcamera moeten zijn aangebroken.

Maar niemand verstopt zijn camera meer in zijn hoed, want dagelijks worden er mensen in de verachtelijkste en belachelijkste omstandigheden gekiekt, zonder dat iemand zich daar nog wat van aantrekt.