Het roer naar de afgrond gewend; De lotgevallen van Jacob Haafner (1755-1809)

De werken van Jacob Haafner, deel 1, bezorgd door J.A. de Moor en P.G.E.I.J. van der Velde, Uitg. Walburg Pers, 367 blz. Prijs ƒ 69,50

In zijn brochure Pruisen en Nederland maakt Multatuli zich kwaad over een bloemlezing uit Nederlandse dichters en proza-schrijvers. “Ik raad ieder aan,” zegt hij, “die verzameling in te zien, en zich af te vragen of het Nederlandse volk geestdriftig zal worden in dat Pantheon? Op zeer weinige uitzonderingen na (by herinnering noem ik slechts een paar stukken van den ongeletterden Haafner, en een grieks tafereel van Van Limburg Brouwer) is het grootste deel van die keur, de moeite van 't drukken niet waard, en ook de moeite van 't lezen niet.”

Wie was die onbekende Haafner die hier door Multatuli "by herinnering' met zoveel onderscheiding genoemd wordt? Jacob Haafner werd op 13 mei 1755 te Halle geboren als zoon van de arts Matthias Haffner, een verre verwant van de familie waarvoor Mozart zijn Haffner-serenade en Haffner-symfonie schreef.

Matthias Haffner kon zich in Duitsland als arts niet staande houden en verhuisde rond 1758 naar Amsterdam. In 1766 ging Matthias als scheepsarts in dienst bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Hij nam zijn elfjarige zoon Jacob mee op reis naar de Oost. Onderweg naar Batavia overleed Matthias Haafner in Kaapstad. In zijn boek Lotgevallen en vroegere zeereizen heeft Haafner aangrijpend de dood van zijn vader beschreven. De elfjarige Jacob reisde niet verder, maar kwam te Kaapstad in een pleeggezin terecht. In het bovengenoemde boek geeft hij een vaak onthutsend verslag van zijn verblijf in de Kaapkolonie en vertelt hij opmerkelijk onbevangen over de verhouding van de Nederlanders met de inlanders. Vermakelijk is zijn beschrijving van een kortstondige amourette met een Hottentotsch meisje. In 1770 kwam Haafner naar Nederland terug, maar hij kon het hier niet uithouden. Juni 1771 vertrok hij als hooploper - leerling-matroos - weer naar de Oost. Via Batavia kwam hij in Bengalen terecht, en vandaar in Negapatnam, de hoofdvestiging van de VOC op de kust van Coromandel. Daar was hij zes jaar lang als klerk in dienst van de VOC werkzaam. Vervolgens werd hij boekhouder in Sadras, een klein plaatsje ten zuiden van Madras. Toen de Engelsen Sadras in 1781 veroverden, vluchtte hij naar Ceylon. Deze jaren en zijn vlucht leverden hem de stof voor zijn boek Lotgevallen op eene reize van Madras over Tranquebar naar het eiland Ceilon. Hij wandelde het eiland over en deze lange voettocht beschreef hij in het na zijn dood verschenen boek Reize te voet door het eiland Ceilon (1810).

Ongeluk in de liefde dreef hem terug naar India. Via Madras ging hij naar Calcutta. Daar kreeg hij werk als boekhouder bij een diamanthandelaar. Diens zoon was Haafner niet welgezind, zodat Jacob andermaal afreisde naar Madras. Onderweg daarheen kwam hij een danseres tegen, met wie hij een stormachtige verhouding had die hij kleurrijk beschrijft in zijn meesterwerk: Reize in eenen Palanquin. Helaas, de danseres overleed, en Jacob besloot om naar Europa terug te keren. In 1787 vinden wij hem, 32 jaar oud, en niet onbemiddeld, weer in Amsterdam. Hij ging samenwonen met Anna Kreukink, en kwam toch weer in geldnood omdat zijn in Franse schuldbrieven belegde kapitaal sterk in waarde verminderde. Om zijn inkomsten te vergroten besloot hij te gaan schrijven. Aanvankelijk zocht hij het in vertaalwerkzaamheden. Zo las hij op de jaarvergadering van het Amsterdams Dicht- en Letteroefenend genootschap in 1797 een vertaling van de Ramayana voor, maar daarna zette hij zijn reiservaringen op schrift. In 1801 verscheen in de Algemeene Vaderlandsche Letteroefeningen zijn eerste artikel over Ceylon, het eiland dat in 1802 bij de Vrede van Amiens in Engelse handen kwam. Doordat wij toen Ceylon kwijt raakten, waren de artikelen van Haafner over het eiland plotseling actueel. In 1806 werden die artikelen uitgegeven onder de titel Lotgevallen op eene reize van Madras over Tranquebar naar het eiland Ceilon. In 1805 kreeg Haafner een prijs van het Teylers Godgeleerd Genootschap te Haarlem voor een verhandeling over de zending. Het is opmerkelijk dat hij die prijs kreeg, want Haafner kritiseerde missie en zending in de scherpst denkbare bewoordingen.

In 1808 verscheen in twee delen Haafners magnum opus: Reize in eenen Palanquin, een van de gaafste, kleurrijkste, levendigste reisbeschrijvingen in onze taal. Zouden reisbeschrijvingen meer gewaardeerd worden, dan zou dit boek een ereplaats in onze letteren innemen. Daarna werkte Haafner aan zijn boek over de voettocht op het eiland Ceylon. In 1809 overleed hij. Zijn boek over de Ceylonnese voettocht verscheen in 1810. De zoon van Haafner bezorgde uitgaven van nagelaten werk van zijn vader waarvan de voornaamste zijn: Lotgevallen en vroegere zeereizen (1820) en Reize naar Bengalen en terugreize naar Europa (1822).

Wegslepende stijl

In totaal zijn er dus vijf autobiografische reisboeken die, in volgorde gelezen, een uiterst kleurrijk beeld geven van het leven van Haafner van 1766 tot 1787. In dit fraai uitgegeven eerste deel van De werken van Jacob Haafner vinden we de Lotgevallen en vroegere zeereizen alsmede de Lotgevallen op eene reize van Madras over Tranquebar naar het eiland Ceilon. Twee delen zullen nog volgen, waarin de drie andere reisboeken zullen worden ondergebracht. De delen verschijnen in de serie werken van de Linschoten-Vereeniging die niet genoeg te prijzen valt voor de durf om deze begenadigde verteller aan de vergetelheid te ontrukken. Wie Haafner leest, beseft dat wij voorafgaande aan Multatuli wel degelijk een schrijver hebben gehad die een levendig en onopgesmukt Nederlands schreef. Haafner had, zo merkte professor Vogel lang geleden op, een "wegsleependen stijl'. Inderdaad, en hoe opmerkelijk als je let op de tijd waarin de werken van Haafner ontstaan zijn! Niets stijfs, of bloemrijks kenmerkt zijn proza. Daarbij komt dat hij er altijd op gericht is de lezer te laten zien wat hij ervaart. Hij heeft een sterk visueel gerichte uitdrukkingswijze.

Hoewel hij niet zo kernachtig schreef als Multatuli, overtreft hij Douwes Dekker in één opzicht toch glansrijk. Haafner had namelijk bepaald oog voor de natuur. In zijn vijf autobiografische werken zijn wonderbaarlijk mooie natuurbeschrijvingen te vinden. Vooral Ceylon en het zuiden van India geven hem bij voortduring de fraaiste passages in de pen. Wel geloof ik dat hij, begenadigd verteller die hij nu eenmaal was, niet altijd aan de verleiding weerstand kon bieden om zijn land- en zeereizen hier en daar wat op te smukken. Wel heel vaak wordt hij op "wonderbaarlijke' wijze gered, wel heel vaak ontsnapt hij op het laatste nippertje en zijn tocht van Tranquebar naar Ceylon in een roeiboot lijkt als geheel een sterk verhaal. Aan boord bevindt zich, behalve Haafners liefje, een Franse graaf die voor veel ellende zorgt en, als Haafner slaapt, het roer wendt, waardoor hij het gezelschap aan de rand van de afgrond brengt. Bovendien komen ze onderweg een "ijselijke' haai tegen. Niettemin, ondanks de snoodheid van de graaf onverhoopte redding, en bij de lezer na al die zorgvuldig door Haafner gedoseerde en steeds zo vakkundig opgevoerde spanning het gevoel dat hier misschien een rijke fantasie een armzaliger gebeuren wat heeft opgesierd. Maar schitterend is dit gedeelte uit de Lotgevallen op eene reize naar Ceylon wel, en die graaf ontpopt zich als een echte, levende romanfiguur. Buitengewoon beeldend beschrijft Haafner hoe hij tenslotte in gevecht raakt met de graaf. Neem alleen deze James-Bondachtige passage: “Nauwelijks was zijn schot gevallen, dat mij miste, of ik vloog als een pijl uit een boog op hem los; hij wierp mij het afgeschootene pistool naar het hoofd dat ik ontweek. Nu zwaaide hij zijn rotting om mij aftekeeren: hier aan stoorde ik mij niet; hij konde mij toch niet meer dan éénen slag toebrengen, ook hier toe gaf ik hem geenen tijd; ik wierp hem mijn hoed naar 't aangezicht, trof hem; daar lag de graaf op het zand uitgestrekt.” Vooral het feit dat Haafner de graaf hier met zijn hoed velt - denk aan Oddjob uit Goldfinger - verleent deze passage een James-Bondgeur, waardoor je tegelijkertijd - hoe fraai het detail ook is - denkt: zou dit nu echt waar gebeurd zijn?

Kaleidoscopisch

Niet bekend

Het meest opmerkelijke van Haafner is, en in dat opzicht was hij zijn tijd heel ver vooruit, dat hij zo onvoorwaardelijk gekant blijkt te zijn tegen alle vormen van kolonialisme. Multatuli vond wel dat de inlander onderdrukt werd, maar heeft zich nooit gekeerd tegen onze aanwezigheid in Indonesië. Haafner vond dat wij, net als de Engelsen, daar op al die kusten niets te zoeken hadden, en door onze aanwezigheid aldaar alleen maar bitter leed en ellende veroorzaakten. Van dat leed heeft hij treffende staaltjes beschreven, en alleen al omwille van het feit dat hij toen al zo vooruitstrevend was verdient hij om aan de vergetelheid te worden ontrukt.