Het grijze kind in de eerste klasse

Krachtig striemt de regen het raam van mijn coupé. Veel uitzicht is er dus niet bij. Het kan mij niets schelen. Ik ben geen kijker, maar een lezer. En ik bedenk, al voortbolderende: het lezen in de trein is een tijdverdrijf met evenveel positieve als riskante aspecten.

Vooropgesteld zij dat de positieve kanten overwegen. De maatschappij is, zoals wij weten, een voornamelijk door hyena's bevolkte woestenij en wie zo onvoorzichtig is zijn keel bloot te geven, wordt doodgebeten. De mens heeft in principe slechts twee vluchtheuvels tot zijn beschikking. Dat is de wc-bril, waarop een man als Menno ter Braak trouwens zijn diepste gedachten ontwikkelde. En dat is het treincompartiment, bij voorkeur dat der eerste klasse, waarbij het zaak is dit vertrekje met véél sigarerook en nurkse blikken vrij van medepassagiers te houden.

Een enkele keer lukt het. Dan ga je een paar aangename uren tegemoet. Mits je zo wijs bent geweest de juiste reislectuur uit te zoeken. Allereerst een advies. Zorg dat u de walkman of de discman binnen handbereik hebt. Het is uw redding als op het laatste moment tóch een kinderrijke familie of een stel babbelzieke zestigplussers de coupé komt binnenklossen. Voorzie u van componisten van het meer extraverte soort. Anton Bruckner bijvoorbeeld, of Gustav Mahler, die trouwens vaak goed bij het landschap kleuren. Overigens, soms staan zelfs zij machteloos. Laatst viel ik in handen van een koppel zwaargeverfde kwek-eksters dat er in slaagde om zelfs Mahlers Auferstehungssymfonie aan flarden te snerpen, een compositie waarin toch héél wat koper en slagwerk wordt gemobiliseerd.

Het leidt ons naar de vraag: wat zal er de komende uren worden gelezen?

Eerst lees je vanzelfsprekend de krant. Leven wij dan tòch in een klassemaatschappij? Want de tweede klasse leest De Telegraaf en het Algemeen Dagblad, terwijl in de eerste klasse NRC Handelsblad, (soms) Trouw benevens de betere weekbladen worden geraadpleegd. De Volkskrant en Het Parool, die in beide klassen worden aangetroffen, doen niet aan rang en stand.

Dan wordt het tijd voor het boek. U hebt, naar ik hoop, een verstandige keuze gemaakt. Omdat wij ernaar streven onbespied te reizen, hoeven wij dit keer op niemand indruk te maken. Laat dus de, in varkenslederen blufbanden gebonden, Duitse en Franse filosofen maar thuis. Kies voor goedverteerbare, liefst Britse, belletrie met kwaliteitscertificaat. Julian Barnes bijvoorbeeld, of Evelyn Waugh. Pas op: soms vallen zelfs zij enigszins tegen. Dus is het verstandig om voor een reserveboek te zorgen, waarmee u geen enkel risico loopt. Dat is het boek dat u allang eens had willen herlezen: gepatenteerde en onverslijtbare meesterwerken als Elsschots Villa des Roses, Thijssens Het Grijze Kind, Van het Reves Zendbrieven of Hermans' Donkere Kamer van Damocles.

Werkelijk, alleen al het releveren van deze titels maakt een onbedwingbare reislust in mij wakker. Echter, ik zit al in de trein en schrijf, alvorens eindelijk rustig te mogen lezen, aan dit stukje. In mijn eentje, want door een godswonder heb ik de medemens tot dusverre uit de werkcoupé weten te weren. zolang het duurt. Ik ben in Driebergen-Zeist. En ik moet naar Nijmegen, zodat mij nog veel verschrikkelijks kan overkomen. Een vent met een gedateerde trotskistenpet werpt vanuit het gangpad een verlekkerde blik op de vacante zetels. IJzig blik ik terug. Hij schuifelt geschrokken verder, in de richting van de restauratie. Bij deze moge ik onthullen dat ik al jarenlang een derde boek in mijn reisbagage meevoer: de dummy van een vuistdik boek over tuinarchitectuur, voor het geval de trein zal worden gekaapt. Door Molukkers hetzij RAF-asfaltguerrillero's, zodat ik op de blanco bladzijden, every inch a reporter, de aantekeningen kan krabbelen die mij eindelijk wereldberoemd gaan maken. De Veluwe, waar wij op dit ogenblik overheen sporen, is echter een tot dusver ideologisch onomstreden gebied. Dus zal mij ook deze reis, vrees ik, weer niets spectaculairs overkomen.

Mijdt overigens kamerbrede turven als De Toverberg of In de Naam van de Roos. Hoe boeiend ook, zij liggen onprettig in de hand. Kies liever voor een superieure thriller, een genre dat slechts één nadeel heeft: als je er niet in slaagt om het boek vóór het einde van de reis uit te lezen, word je voor de rest van de arbeidzame dag, discussiërende en confererende, gekweld door de vraag wie de moordenaar zal blijken te zijn, de louche butler of de vaderlijke huisdokter. Zelfs heb ik dit keer overigens voor een nieuwe Ollie B. Bommel gekozen. Voor de terugweg, want zowel mijn reis als dit stukje nadert zijn einde. De trein mindert vaart. Ik stop pen en papier weer in de tas. Door de intercom kraakt de stem van de hoofdconducteur. Hij is zo te horen goedgeluimd: “Dames en heren, dit is Nijmegen./ Hier scheiden zich onze wegen./ Of u nu staat of zit,/ dit is het einde van de rit.”

Want in alles is poëzie.