Een slimme boom

Ik maak nooit iets mee. Maar tien jaar geleden wel. Want toen heb ik eens aan een natuurexcursie meegedaan, ergens in Brabant. Een vriend van mij volgde een boscursus voor amateurs, met veel theorie en af en toe praktijk. Hij vroeg me of ik niet eens mee wilde naar zo'n praktijkles. En zo begaven wij ons op een vroege zondagochtend naar het afgesproken bos. Daar stond al een groepje nieuwsgierige natuurvrienden rondom een gids geschaard.

De rondleiding begon. Braaf stommelden wij door het nog mistige bos achter de gids aan. Van tijd tot tijd hield hij stil bij een interessante struik, een boeiend bloempje of een leerzame paddestoel, want het was herfst. Eigenlijk wilde hij ons leren het bos te ”lezen'. Dus je moest ook letten op de beukenootjes en de eikeltjes en waar ze lagen, op konijnenkeutels en uileballen, gekreukt gras en vogelgeluiden. Aan de kleur van een blad kon je zien of er veel of weinig kalk in de grond zat. Het ging erom dat je in de gaten kreeg hoe mooi in zo'n bos alles met alles samenhing.

Op zeker moment bleef de gids staan bij een boom. Hij vroeg ons of wij wisten waarom er bijna geen bladeren meer aan deze eik hingen. ”Omdat het herfst is', zei iemand, maar dat was een al te gemakkelijk antwoord. ”Omdat er anders volgend jaar geen ruimte voor de nieuwe knoppen is', zei een ander, maar dat was ook niet de kant die de gids op wilde. Hij wilde een echte verklaring. En hij vertelde dat het vallen van de bladeren een zeker nut had. Eigenlijk moest je niet eens zeggen dat de bladeren vielen, maar dat ze door de boom werden afgestoten. En waarom deed de boom dat? Omdat hij in de winter niks aan die bladeren had. Want dan vroren ze toch maar kapot. Dus een beetje slimme boom begon, als hij voelde dat het kouder ging worden, zijn bladeren leeg te zuigen en gooide ze daarna weg. En zo maakte hij zich ”winterklaar', zoals de gids het noemde. Hij keek er triomfantelijk bij, alsof hij het de boom zelf zo geleerd had.

Van de rest van de excursie herinner ik me niets. Ik zal wel achter de meute aan gesjokt hebben, in gedachten verzonken. Want de verklaring van de gids was mooi en klonk logisch, maar toch had ik het gevoel dat er iets niet klopte. Het leek mij zo omslachtig, dat gedoe met vallende bladeren en nieuwe knoppen, ieder jaar opnieuw. Dat moest makkelijker kunnen. Als die boom dan toch zo slim was, waarom had hij dan in de loop van de eeuwen niet een soort jas ontwikkeld, of kleine handschoentjes voor zijn bladeren? Of, nog handiger, een soort van anti-vries? Waarom was hij in de loop van de eeuwen niet naar warmere streken verhuisd? Waarom had hij niet het kunstje afgekeken van sommige van zijn collega-bomen die 's winters wel groen blijven? Als dit allemaal onzinnige vragen waren omdat bomen nu eenmaal niet kúnnen denken, dan was de verklaring van de gids ook onzinnig. Waarom vielen die bladeren dan wel? En was dit eigenlijk niet net zoiets als de vraag waarom de bananen krom zijn? En wat was eigenlijk het officiële antwoord op die vraag?

Misschien viel er wel niets te verklaren en zat daarin de fout. Misschien riep iedere verklaring wel weer om een nieuwe verklaring. Voor je het wist begon je je af te vragen of wij nu van de apen afstammen of dat we geschapen zijn. En dat kun je maar beter niet doen op een zondagochtend in een mistig herfstbos. Dus schopte ik nog maar eens even lekker door de bladeren op de grond - en wist opeens zeker dat de bomen dáárom hun bladeren laten vallen.

En nu nog even een gedicht. Het is van de dichter J.A. Dèr Mouw. Die herinnert zich hier hoe hij vroeger op school leerde dat God het heelal had geschapen en er met Zijn wijze liefde voor gezorgd had dat alles in de schepping zijn nut had. Je kunt wel zien dat de dichter nu niet meer in die verklaring gelooft. Maar als je goed kijkt zie je ook dat hij dat wel jammer vindt, want het was een superverklaring:

God's wijze liefde had 't heelal

geschapen:

Vol lente, net als de appelbomen

bloeien;

Weldadig-groen liet voor het vee Hij

groeien

Het gras, voor ons doperwtjes en

knolrapen,

'T varken om spek en ham, om wol de

schapen,

Om boter, kaas, melk, leer, vlees,

been de koeien;

Waar steden zijn, liet Hij rivieren

vloeien;

Het zonlicht spaarde Hij uit, als wij

toch slapen.

De sterren schiep Hij, om de weg te

wijzen

Aan brave kooplui op stoutmoed'ge

reizen;

Hij schiep kaneel, kruidnagels,

appelsientjes,

Het ijzer voor de ploeg, het hout voor

huizen,

Hij schiep het zink voor

waterleidingbuizen,

En 't goud voor ringen, horloges en

tientjes.