Een presidentieel portret

Klagen gaat bij vlagen. Niet verwonderlijk want de klacht is het gereedschap der zwakken.

't Is windkracht vier met motregen; onaangenaam weertje maar niet om je ervan te weerhouden naar buiten te gaan. Degene op wie het klagen wordt geprobeerd kan het zich veroorloven er op zijn hoogst de aandacht van zijn paraplu aan te besteden, de klager raakt vanzelf uitgeput en dat is dat. Een klacht heeft geen kracht. Op den duur kan het natuurlijk anders uitpakken: dan komt na de klacht het protest, gevolgd door de opstand en tenslotte de omwenteling. Ik zal dat niet verder in metereologische metaforen verklaren.

Dit poëtisch begin wordt veroorzaakt doordat ik in Vestdijks De glanzende kiemcel heb zitten lezen, de reeks lezingen die hij in 1942 en 1943 als gijzelaar in Sint Michielsgestel over "wezen en techniek der poëzie' heeft gehouden. Een jaar of veertig geleden, toen ik van tijd tot tijd gedichten maakte, heb ik zijn verhandelingen grondig bestudeerd, blijkbaar met averechts resultaat. In de krant staat over het algemeen één gedicht per week en dat is niet van mij. Maar omdat er bij vlagen veel wordt geklaagd over "het gebruik van het Nederlands', leek het me een goed idee, eens na te lezen wat een meester als Vestdijk over het ambacht heeft gezegd; want als me iets was bijgebleven dan was het wel de strekking van de laatste voordracht waarin hij de dichter als "werkman van de schoonheid' beschrijft, en laat zien hoe een gedicht ontkiemt, en dan wordt opgebouwd, bijgeschaafd en in de verf gezet voor het aan het publiek wordt prijsgegeven. De dichter als vakman, als werkman, als iemand die fluitend of vloekend, met het soms blindelings gehoorzamend dan weer onwillig gereedschap van zijn hersens, bezig is het bijzettafeltje van zijn gedicht te maken: daar gaat die laatste voordracht over. De spreker is misschien hier en daar wat uitvoerig, maar voor een gehoor van gijzelaars kon hij zich dat veroorloven want die hadden geen werktijden. Bij het lezen in De glanzende kiemcel kwam bij mij vanzelf het beeld tevoorschijn van de groep mannen die, in afwachting van het ogenblik dat ze mogelijkerwijs zullen worden vermoord bij wijze van straf voor een daad die ze niet op hun geweten kunnen hebben, op een cursus over "wezen en techniek van de poëzie' zitten. Dat hoort allemaal tot die geweldige collectie absurditeiten die oorlog wordt genoemd. Dit gaat over de van tijd tot tijd opstekende vlaag van klachten dat er "tegenwoordig zulk erbarmelijk Nederlands wordt geschreven." Het is geen "storm van protest", of "verplettering van opstand"; het komt nooit verder dan een vlaag van klachten en daarom helpt het natuurlijk niet; daarom zal het Nederlands steeds erbarmelijker worden, een krompraat waarin het volk dagelijks les krijgt van zijn gekozen leiders. Dat is geen klacht; het is een constatering, maar het lezen van Vestijk gaf me in ieder geval de zekerheid dat ik nu weet waardoor het komt: spreken en schrijven gaan niet meer gepaard met de lusten van het ambacht, er komen niet meer de pleziertjes van de nauwkeurigheid bij te pas, je gebruikt de woorden steeds minder om zo goed mogelijk te worden verstaan en des te meer om op te vallen. Dat vergt heel andere technieken waarvoor de hiërarchie der organen moet worden veranderd: eerst een wijde borstkas, dan het strottehoofd dat door de grote longen wordt aangeblazen en eindelijk de hersenen. Het gaat nu meer van beneden naar boven dan destijds in Sint Michielsgestel. Buiten het prikkeldraad van dat kamp was de hiërarchie met behulp van de radio al veranderd. Hitler was de eerste echte draadloze dictator.

Terzake: hoe kunnen we bereiken dat het Nederlands minder "erbarmelijk' wordt? Door degenen die het gebruiken op hun eigen terrein aan te vallen. We moeten proberen uit te leggen dat het maken van een behoorlijke zin gepaard kan gaan met een lustbeleving, dat het lekker kan zijn de woorden zo goed mogelijk achter elkaar te zetten, dat de aanblik van pen en papier iemand het water uit de mond kan doen lopen en dat de exotische dame in het gezelschap van de schrijver haast niet met haar vingers van het inktpotje kan afblijven. Met dieven vang je dieven, de deugdzame meesterschurk F.E. Vidocq heeft het nog tot préfect van Parijs gebracht. Als we het ambacht van het zinnen maken willen herstellen, moeten we niet meer over het ambacht zeuren maar over de lust, het smeksmek en het jummiejummie. Het is voor ouderwets denkende taalarbeiders misschien een paardemiddel maar baat het niet dan schaadt het niet en het is nog niet geprobeerd. Poëzie, zegt Vestdijk in zijn laatste voordracht (en proza niet minder) is een moeilijke zaak. “Maar het is een eigenaardig soort moeilijkheid; het is een moeilijkheid die merkwaardig snel verdwijnt wanneer er werkelijk toewijding in het spel is, een toewijding die de hele mens in beslag neemt.”

Misschien schuilt hier het geheim van de verleiding die door het onderwijs vergeten wordt.