Een avond aan het hof

De koning had lang naar buiten staan kijken bij het raam vanwaar hij de zon kon zien ondergaan. Het licht was al rood aan het worden toen hij merkte, dat er iemand achter hem stond. Een van mijn kamerheren, dacht hij en hij draaide zich om voor een gesprek. Een gesprek over zonsondergangen.

Elke avond opnieuw, zei hij. En toch kijk ik er graag naar. En om dat waar te maken draaide hij zich weer naar het raam en keek. De man die achter hem stond, zei niets. Ondergaan, zei de koning. Daar moet ik wel eens aan denken. Niet alleen 's avonds, hoor. Maar als ik ergens ben, zonder gezelschap en dan zo, bij een raam. De man die achter hem stond, zei nog steeds niets.

Ik denk dan aan de dingen die voorbijgaan, zei de koning. Ik bedoel niet de mensen, die hier langs lopen. Die komen om naar de koning te kijken, zoals nu. Ik zal ze maar eens toewuiven. Mijn vader zei altijd: daar betalen ze voor, haha. Mijn vader was een nuchter mens. En een die altijd vooruitzag. De koning met de vooruitziende blik, noemden ze hem. Dat zullen ze mij niet doen. Bij mij is het anders. Ik kijk naar wat er gebeurt. En wat zie ik? Ondergang. Dat zeg ik niet vanwege die zon, maar vanwege de mensen en de dingen die ze doen. Je ziet het allemaal voor je en ineens zijn ze verdwenen. Achter een muur, achter een dijk, achter een heuvel, voor mijn part achter een berg. Maar je ziet ze niet terug. Ja en dat noem ik dan maar ondergang. De man die achter de koning stond, zie nog altijd niets.

Ik weet wat u zeggen wilt, zei de koning. Ik zou er achteraan moeten gaan. Ook de hoek om. Zien wat ze doen. Maar dat kan niet. Waarom niet? zult u vragen. Omdat het niet mag.

Kom nou, zegt u nu. Een koning en niet mogen? Een koning en verboden toegang? En toch is het zo en ik zal het u uitleggen. Dan zult u het ook begrijpen. Die mensen en die dingen die de hoek omgaan, die weten wat hen daar te wachten staat. Ik niet. Nu nog niet. Maar zodra ik het weet, dan ga ik. Reken maar. Hij draaide zich om en zei tegen de kamerheer: Heeft u het begrepen.

De man zei nog altijd niets en de koning riep: Je bent helemaal geen kamerheer. Je bent Jakob, de lakei. Waarom sta je hier?

Ik kom de gordijnen dicht doen, zei Jakob.