De versmelting met het wit; Tentoonstelling van getallenschilder Roman Opalka

Roman Opalka schildert al 27 jaar getallen. Hij begon met het getal 1 en nadert nu de vijf miljoen. Hij hoopt ooit het getal 7777777 (zeven zevens) te bereiken. In Bremen is nu een overzicht van zijn schilderijen en na iedere werkdag gemaakte zelfportretten te zien. “De tijd wordt hier zichtbaar. Er is er geen weg terug. Correcties of veranderingen zijn niet mogelijk, zelfs haperingen vallen onmiddellijk op.”

Roman Opalka: "1965/1-'. Overzichtstentoonstelling georganiseerd door het Neues Museum Weserburg te Bremen in de expositieruimte van de stad Bremen "Forum Langenstrasse', aan de Langenstrasse 2, Bremen. Tot 8 juni. Geopend: di-vrij 10-18 uur, za en zo 11-18 uur. Voor het museum (adres: Teerhof 20) gelden dezelfde openingstijden.

Roman Opalka telt. Hij telt al sinds 1965, toen hij het getal 1 schilderde in wit op een zwarte ondergrond. Hij nadert nu de vijf miljoen. Zijn meest recente schilderij, te zien op een overzichtstentoonstelling in Bremen, bevat de getallen 4776969 tot 4795472.

Het concept van Opalka (1931, woont in Zuid-Frankrijk) is verbluffend eenvoudig. Zijn totale oeuvre vanaf 1965 vat hij op als één kunstwerk, getiteld "Opalka, 1965/1- '. De afzonderlijke onderdelen heten "Details'. Ze zijn een uitsnede, in tijd, uit het leven van Opalka, en zijn verder dan ook niet gedateerd. Hij telt van de linkerbovenhoek van het doek naar de rechterbenedenhoek. De schilderijen hebben altijd dezelfde afmetingen, 196 bij 135 centimeter. Hij doopt zijn penseel, het dunste dat te krijgen is (nummer 0) in witte verf, en schildert het leeg. Het wit verloopt zodoende van helder naar grijs, totdat het bijna versmelt met de zwarte of grijze ondergrond. Dan doopt hij, aan het begin van een getal, zijn penseel opnieuw in de verf. Tegenwoordig "duurt' het wit twee à drie getallen.

Om niet in de war te raken spreekt Opalka de getallen hardop uit, terwijl hij ze opschrijft. Sinds 1970 neemt hij het geluid van zijn stem op de band op.

Een ingrijpende beslissing nam hij in 1972, toen hij 1000000 bereikt had. Voortaan zou hij de zwarte ondergrond van ieder doek steeds één procent lichter maken. Langzaam zal het zwart verdwijnen en in wit veranderen. Opalka schat dat hij over ongeveer tien jaar het wit bereikt zal hebben. Precies te zeggen is het niet, omdat hij niet iedere dag even lang werkt, het varieert van drie tot zestien uur per dag. Bovendien wordt het tellen af en toe onderbroken door reizen. Als hij langer van huis is, maakt Opalka "Reiskaarten'. Hij telt dan verder in inkt op vellen papier van 33,3 bij 24 centimeter. Dit kan overigens alleen wanneer hij net een doek voltooid heeft.

Tenslotte maken zelfportretten deel uit van het werk. Na iedere werkdag neemt Opalka van zichzelf met de zelfontspanner een zwart/wit foto. Belichting, uitsnede en gezichtsuitdrukking zijn altijd dezelfde. Zo neutraal mogelijk blikt Opalka in de camera. Ook de kleding die hij op de foto draagt is al sinds 1965 hetzelfde: een wit overhemd met epauletten, een zilveren kettinkje om de hals. Het is met de foto's net als met de schilderijen, onmerkbaar verschuift het zwart naar wit, en onmerkbaar veroudert het gezicht. Maar wanneer je een foto van vroeger ziet naast een van nu, schrik je. Het gezicht is hetzelfde gebleven, maar de groeven zijn zoveel dieper, het licht krullende haar dunner en de blik in de ogen lijkt ook te zijn veranderd. Het is een genadeloze weergave van het ouder worden.

Grijs

De overzichtstentoonstelling in Bremen, georganiseerd door het Neues Museum Weserburg, is de grootste tentoonstelling die tot dusverre aan Opalka is gewijd. De werken (schilderijen, tekeningen en foto's) zijn afkomstig van Opalka's twee galeries, John Weber in New York en Isy Brachot in Parijs. Alleen het allereerste, zwarte schilderij is in bruikleen gegeven door het museum van Lodz in Polen. De eerste indruk die de ruime, centrale expositiehal maakt is: grijs. Lichtgrijs zijn de schilderijen, de foto's, de vloeren, zelfs het licht is grijs. Opalka's stem, die rustig, met regelmatige intervallen getallen opzegt, creëert een meditatieve sfeer. Hij zegt ze in het Pools, zijn moedertaal, omdat in het Pools de volgorde van de cijfers van een getal precies zo is als je het schrijft.

Deze schilderijen en tekeningen moeten van dichtbij worden bekeken. Dan maken de getallen zich los en worden steeds meer nuances zichtbaar, kleine onregelmatigheden, rimpelingen, minieme verschuivingen van licht naar donker, in golvende, deinende bewegingen. Opalka verwijst vaak (en ook weer toen ik hem sprak op de dag voor de opening van zijn tentoonstelling) naar het "panta rhei' van Heraclites. Alles vloeit, de rivier waar je in stapt is nooit dezelfde: hiervan zijn de schilderijen de letterlijke verbeelding. Letterlijker kan bijna niet. Het is alsof ze uit water bestaan. De tijd wordt hier zichtbaar, voelbaar bijna. En net als met het verstrijken van de tijd is er geen weg terug. Correcties of veranderingen zijn niet mogelijk, zelfs haperingen vallen onmiddellijk op. Ieder schilderij is een hecht weefsel. Opalka's concept is van een uiterste precisie.

Unisme

Opalka is geboren in Noord-Frankrijk uit Poolse ouders die beiden in de kolenmijnen werkten. Bij het uitbreken van de oorlog werden zij te werk gesteld in Duitsland. Roman Opalka kwam als negenjarig jongetje alleen in een kamp terecht, waar hij de jaren doorbracht in een cel, een privilege ten opzichte van zijn joodse kampgenootjes die in barakken zaten. Na de oorlog volgde hij in Polen de opleiding tot lithograaf aan de kunstacademie in Warschau, en vervolgens bezocht hij de door Wladyslaw Strzeminski (1893-1952) beroemd geworden kunstschool in Lodz. Strzeminski propageerde het "Unisme', een abstracte-kunstopvatting die afrekende met de principes van "compositie' en "hiërarchie' in het beeld. Een gelijkmatig "over-all' patroon kwam hierbij in de plaats van compositie, een patroon met eigen wetmatigheden dat een grotere objectiviteit bij het tot stand brengen van het kunstwerk mogelijk moest maken.

Dit Unisme was in de jaren zestig van invloed op de zogenaamde 'Nieuwe Tendensen', waaronder Zero, een groepering waarmee zich Opalka verwant voelde. Maar de Zeroïsten achtten Opalka niet zuiver in de leer, hij was niet radicaal genoeg omdat hij nog steeds schilderijen maakte, een kunstvorm die zichzelf volgens hen had overleefd. Inderdaad blijft zijn werk, ondanks alles, in de eerste plaats schilderkunstig, ook volgens hemzelf. Zo spreekt hij bij voorbeeld in verband met het fluwelige effect van zijn recentere doeken, waarop het contrast tussen het fond en de getallen steeds zwakker wordt, over "sfumato', een term die oorspronkelijk een omschrijving is van de atmosferische "wolligheid' in de landschappen van Leonardo da Vinci. Achteraf blijkt Opalka's concept zuiverder en radicaler te zijn dan dat van de meeste Zeroïsten. En wat meer is: het houdt stand.

Opalka heeft zich overigens gedistantieerd van het begrip "avant-garde', van de drang naar voortdurende vernieuwing. Ook, zegt hij, "bevrijdde hij zich van de notie van kwaliteit' die eigen is aan bij voorbeeld minimal art, een andere stroming waarmee zijn werk verwant is. De totstandkoming van het schilderij wordt geheel bepaald door de methode. "Kwaliteit' speelt hierbij geen rol.

Ik vroeg hem wat er gebeurt wanneer hij het wit bereikt heeft. Opalka antwoordde dat hij dan verder zal tellen. Het getal zal heel even, zolang het nat is, oplichten op het doek en daarna onzichtbaar zijn. “Niet het fysieke wit van Robert Ryman, maar een emotioneel, mentaal wit.” Het schilderen zal wel steeds moeilijker worden. Dat wordt het nu al, want zijn ogen worden door het lichter worden sneller moe. Maar hier is het hem om begonnen, om het wit dat hij beschouwt als licht. Zoals er in het proces aangrijpende momenten zijn geweest, bij voorbeeld bij het getal 1000000, of 333 of 4444 of 7777777 (zeven maal zeven) dat hij hoopt te halen, zo denkt hij dat het bereiken van het wit zó'n sterke emotie teweeg zal brengen dat het "hem misschien kapot zal maken'.

Het werk is dus niet voltooid wanneer hij het wit bereikt. Wanneer dan wel? “Er zijn drie niveaus van voltooiing. Het eerste is dat van het afzonderlijke doek, dat op zichzelf af is. Het tweede is dat van het doek dat nu op mijn ezel staat en half af is. Het heeft een lege plek, het is nog open, net als ons leven. Als ik nu zou sterven is het voltooid. En zo is het met het hele werk: het is af wanneer ik sterf. Mijn sterven is de voltooiing van mijn werk.”