De reis van Napoleons genitalien; John Vernons schaamteloze mengeling van feiten en fictie

John Vernon: Peter Doyle. Vert. Annelies Eulen. Uitg. Arena, 599 blz. Prijs ƒ 49,50 (geb.).

Op 5 mei 1821 overleed de kleine Grote Man op Sint Helena, en in zijn hele landhuis Longwood bleek alleen de biljarttafel sterk genoeg om zijn dode gewicht te dragen. In ballingschap was Napoleon zo rond als een spaarvarken geworden - op het borstbeen bleek een vetrol te liggen van vier centimeter dik, op de onderbuik eentje van vijf centimeter, terwijl ook een aantal inwendige organen was bedolven onder het vet. Het lichaam was na de autopsie - in de maag zat een gat waar je een vinger door kon steken - losjes dichtgenaaid, en zo wachtte het, als een berg onder de lijkwade, op de dingen die komen gingen.

Sinds de publikatie van Peter Doyle vorig jaar, weten we exact nou ja, exact - wat er volgde. In de avondschemering arriveerde een heer die zich voordeed als de lijkschouwer die als onafhankelijk expert was opgeroepen. Hij bleef bij het lichaam, wachtte tot de bewakers zich in slaap gedronken hadden, sneed vervolgens de duim van de keizer af, dompelde die in een zilveren flesje met sterk water, en vergreep zich tenslotte, nadat hij de lijkwade had opengeslagen, met de grootste scalpel ook aan diens "zetel der macht', zijn "bron van het leven'.

Wat is er geworden van de edele delen van Napoleon? De Amerikaanse auteur John Vernon beschrijft in bijna zeshonderd pagina's op smakelijke wijze de reis die deze verschrompelde genitaliën door de negentiende-eeuwse wereld maakten. Ze duiken voor het eerst weer op bij een relikwieën-handelaar in het morsige Londen van 1868, worden gestolen en door een verstekeling naar New York gevoerd, en daar belanden ze door een toeval om de hals van Peter Doyle, die ze als een amulet gebruikt en verder van niets weet. In de Nieuwe Wereld begint het echte avontuur: de familie van de Bonapartes heeft lucht gekregen van de zaak, de Londense relikwieënhandelaar kan zijn prooi ook niet loslaten en er ontstaat een jacht over het halve continent naar de onschuldige Peter Doyle, die eindigt in Colorado tijdens de opstand van de Utes-indianen.

Daardoorheen bruist het Amerikaanse leven van vlak na de Burgeroorlog: spoorlijnen worden aangelegd, kolonies gesticht, New York barst uit zijn voegen, schip na schip komen de nieuwkomers binnen, de Brooklyn Bridge, het toppunt van negentiende-eeuws vernuft, is in volle aanbouw, stoomkranen piepen en puffen, trams ratelen, de straten zijn vol handel en schreeuwende krantenjongens, en daartussen bemint de beroemde zanger-dichter Walt Whitman Peter Doyle, en er ontstaat ook nog een beetje moois tussen Whitman en Emily Dickinson.

Kortom, het kan niet op. En dat is precies het probleem met dit boek: het is te glad, te gestileerd, het is een typisch lekker-lees-en-verkoop-boek, en nog historisch verantwoord ook, maar het mist de ruwe weerbarstigheid van de realiteit.

Archieven

Een vriendin uit de Verenigde Staten stuurde me onlangs een verhaal toe over een veldslag die zou hebben plaatsgevonden in het joodse getto van Amsterdam: barricades, tanks, arbeiders zij aan zij schietend met hun joodse kameraden, weerzinwekkende Duitsers die werden opgeknoopt aan de hijsbalken van de grachtenhuizen, en pas tegen het eind werd me duidelijk dat het hier ging om een beschrijving van de Februaristaking.

Met Peter Doyle lijkt iets soortgelijks aan de hand. Een belangrijk deel van het verhaal is historisch en uit het voorwoord blijkt dat John Vernon er diep voor in de archieven is gedoken. Maar als het erop aankwam koos Vernon steevast voor het mooie verhaal, niet voor de historische feiten. Er schijnt inderdaad iets aan de hand geweest te zijn met de edele delen van Napoleon, maar dat ze de halve wereld over zijn gegaan, is uitermate onwaarschijnlijk. Whitman en Dickinson hebben in werkelijkheid nooit contact met elkaar gehad. Peter Doyle heeft echt bestaan, hij was inderdaad een vriend van Whitman, maar hij is nooit met de familie Meeker - die ook echt bestaan heeft - naar het Westen getrokken, hoewel de tweede helft van het boek om dat gegeven draait. En dan hebben we het nog maar niet eens over de verschuiving van allerlei jaartallen omwille van de dramatische eenheid.

Peter Doyle is een typisch voorbeeld van de manier waarop sommige Amerikanen graag met geschiedenis omgaan: als een bron van sterke verhalen en bontgekleurde beelden. Hoe het precies in elkaar zat doet er minder toe. “Ik heb geschiedenis en fictie op schaamteloze wijze vermengd”, schrijft Vernon eerlijk, “in een speculatieve poging de kleine dwalingen der geschiedenis te corrigeren, terwijl ik de grote dwalingen accuraat heb beschreven.”

Het boek is dus vlees noch vis, een vorm tussen fictie en historische non-fictie. Nu zijn er talloze boeken geschreven volgens dit procedé - Hella Haasse is er een meester in, net als A. Alberts - en op zichzelf is daar niets mis mee. Alleen: het moet wel precies gebeuren, of, beter gezegd, met respect voor de, ooit levende, hoofdpersonen. Er gebeurt anders iets raars met de lezer, hij wordt verscheurd tussen zijn eigen kennis en zijn eigen beelden, en de fantasie van de schrijver die daarmee op hol wil gaan. En daarin loopt John Vernon volkomen uit de rails.

Vertrouwen

In zijn biografische reisboek beschrijft de meesterbiograaf Richard Holmes de vertrouwensrelatie die tijdens het schrijfproces tussen de auteur en zijn onderwerp ontstaat, een speciaal soort intimiteit, waarvan het schenden voelt als verraad. “Waar het vertrouwen tussen biograaf en onderwerp wordt geschonden, wordt het ook geschonden tussen lezer en biograaf”, schrijft hij. “In wezen is dan de dramatische aard van de biografie - haar herscheppend vermogen - ondermijnd. De literaire illusie van het leven, de illusie die de biografie verwant maakt aan de roman, verliest tijdelijk of permanent haar kracht.” Natuurlijk hoeven aan het genre dat Vernon bedrijft niet zulke strenge eisen gesteld te worden als aan een officiële biografie. Het mag soms best wat mooier of dramatischer gemaakt worden. Maar ergens bestaan er ook hier grenzen, en die hebben inderdaad iets te maken met vertrouwen en geloofwaardigheid.

Vernon zal zichzelf geen biograaf noemen, maar hij werkt wel met de technieken van de biograaf; zijn boek bestaat voor een groot deel uit ineengevlochten biografieën. En wie dan Emily Dickinson als een soort kakelende Pipi Langkous door het boek ziet hollen, Walt Whitman dingen hoort zeggen die hij nooit over zijn lippen heeft gekregen en de hoofdpersoon Peter Doyle talloze avonturen ziet beleven die hij nooit heeft meegemaakt, krijgt het onbehagelijke gevoel dat een pseudo-dokter anno 1991 opnieuw met de onderdelen van een lijk aan de haal is gegaan.

Peter Doyle doet denken aan Ragtime van E.L. Doctorow en, zoals een recensent terecht schreef, aan Het parfum van Patrick Süskind. Maar het mist net die subtiliteit die alle verschil van de wereld maakt. Er staan schitterende scènes in - bij voorbeeld het verslag van het werk in het hoge-druk inferno in de rivier onder de Brooklyn Bridge -, het laat zich met rode oortjes lezen en toch is het boek, met zijn 599 bladzijden, zo plat als een dubbeltje.