De haak in het luisterend vlees; Laat proza van Beckett vertaald

Samuel Beckett: Verroeren. Vert. Hugo Claus. Uitg. De Bezige Bij, 19 blz. Prijs ƒ 12,50.

-: Het Beeld. Vert. Karina van Santen en Martine Vosmaer. Uitg. De Bezige Bij, 13 blz. Prijs ƒ 12,50.

Het keerpunt in het leven van Samuel Beckett ligt in 1946, in maart van dat jaar. Hij is op dat moment in Dublin, waar hij niet wil zijn, en stelt het schrijven uit door lange tochten te maken. Hij drinkt, hij wandelt, hij weet niet wat hij met zijn werk aanmoet. Op een avond komt hij op een pier in de haven van Dublin. Het stormt. Hij heeft net genoeg gedronken om de geest te laten malen.

In Krapp's last tape neemt hij later een tekst op die verwijst naar wat hij die nacht op de pier ontdekte. Wat dat was bleek in de jaren zestig toen de dichter John Montague zich in een gesprek met Beckett beklaagde over een gedicht dat zich niet liet schrijven. Beckett vertelde over zijn nacht op de pier en sloot af met: “Ah, Montague, what you need is monologue - monologue!” En met een vinger opgestoken, herhaalde hij zichzelf, om te besluiten met: “That's the thing!”

Monoloog, dus. Beckett ontdekte dat hij het donker in zichzelf moest gebruiken en dat de stem, de techniek van de monoloog, daarvoor de aangewezen vorm was.

In de grote trilogie (Molloy, Malone, The Unnamable, verschenen tussen 1951 en 1953) werkt Beckett zijn ontdekking uit. How it is (1961), een door witregels onderbroken tekst, is het einde van zijn pogingen om de monoloog aan te wenden in romans. Daarna verschijnen alleen nog maar korte teksten, soms niet langer dan anderhalve pagina, gezet in korpsgrootten die meestal worden gereserveerd voor kinderboekjes.

Beckett werkt spaarzaam. Hij zet in zijn late werk in eerste instantie alleen de toon. Vervolgens houdt hij die toon vast met een techniek die in de popmuziek een "hookline' wordt genoemd, een zin die als een haak in de luisteraar zit en door de schrijver kan worden gebruikt om die luisteraar naar believen terug te halen naar de tekst.

“A voice comes to one in the dark. Imagine.” Zo begint Company, een van zijn latere teksten. Na deze zin volgt een regel wit, waardoor de geringe inhoud van de zin als een echo meeglijdt naar de eerste regel van het volgende stuk.

“To one on his back in the dark.” Na deze regels is duidelijk dat hier niet veel gaat gebeuren. De lezer zal vooral moeten luisteren.

Na 42 pagina's komt het woord weer: Imagine. De manier waarop Beckett dat woord gebruikt is kenmerkend voor zijn latere werk. Hij reikt naar de knop die onze ontvankelijkheid voor de stem inschakelt, naar de haak in ons luisterende vlees, maar hij maakt spaarzaam gebruik van die techniek. Tussen het moment waarop hij zijn haak uitwerpt en de eerste ruk aan de lijn kunnen er lezers zijn vertrokken, lezers die je alleen bij je houdt als je voortdurend aan het koord trekt, lezers die de snelheid en zinnenprikkeling van de televisie gewend zijn. Die mogen van hem weg. Die moeten maar een spannend boek gaan lezen. Het is Beckett om iets heel anders te doen. Hij wil een paar mensen om zich heen, mensen die bereid zijn de stem diep in hun hoofd te laten dringen, die willen samenvallen met het boek. Inderdaad, dat is identificatie, maar van een veel zuiverder soort dan de identificatie met een karakter, of een beschouwing, of de actie die televisie biedt.

Jeugdherinnering

Het Beeld, de vertaling van L'Image, die net bij de Bezige Bij is verschenen, is een tekst uit 1988 die uit één zin van pakweg twaalfhonderd woorden bestaat. Het beeld is een voor Becketts doen uiterst vriendelijke jeugdherinnering die even snel opkomt als verdwijnt.

In Verroeren, een andere late tekst van Beckett, nu verschenen in een mooie muzikale vertaling van Hugo Claus, zien we een man aan een tafel zitten, hoofd op de handen. Hij staat op, gaat weg, duikt ergens anders weer op, staat op, gaat weg. “Zo steeds weer verdween alleen om weer later weer te verschijnen op weer een andere plek.” De enige verwijzing naar de wereld buiten de ruimte waarin de hoofdpersoon zich bevindt is de naam Darly. Van die man wordt niet meer gezegd dan dat hij stierf en de hoofdpersoon achterliet. Een mededeling die twee keer in de tekst voorkomt: “...als toen bijvoorbeeld Darly stierf en hem achterliet. Als toen anderen ook op hun beurt voordien en sindsdien. Als wanneer anderen ook op hun beurt hem zouden achterlaten tot ook hij op zijn beurt.”

Tweeduizend woorden telt die tekst en Darly heeft er ogenschijnlijk weinig in te zoeken. Maar als zijn naam eenmaal is gevallen ga je op zoek naar wat en wie hij is. Je vindt echter niets. Het blijft bij die twee zinnen en de leegte die in de slipstream van die zinnen ontstaat. Darly, ach, Darly. Hij wordt het prototype van de mens die ons ontvalt, die ons steeds weer zal ontvallen, waardoor we ontdekken dat we alleen zijn en alleen zullen blijven. Tot het einde van Verroeren: “Tijd en verdriet en zelf zogezegd. O alles eindigen.”

Darly komt dicht in de buurt van Darley, de Ierse arts die Beckett leerde kennen in het veldhospitaal in St. Lô. Darley kreeg tuberculose, werd de eerste patiënt op de TBC-afdeling van het ziekenhuis, en stierf. Beckett schreef over hem een voor zijn doen aangrijpend gedicht, Mort de A.D. getiteld. Dat is kennis die je kunt hebben, maar niet hoeft te hebben. Darly is een besef, een besef en een haak.

Becketts werk is de ultieme verbintenis tussen het Darly-besef en de wijze waarop daar gebruik van wordt gemaakt: een verhaal, een aaneenschakeling van anekdotes, is niet genoeg om het gevoel van leegte over te brengen, daarvoor moet de taal zingen en diep in de lezer doordringen.