DDR-propagandist Von Schnitzler mocht nog één keer op Duitse televisie; Honecker maakte krantekoppen zelf

Karl Eduard von Schnitzler, de bekendste propagandist van het voormalige DDR-bewind, is gisteren een laatste keer losgelaten op het Duitse televisiepubliek.

Zijn optreden zorgde al van tevoren voor een opgewonden discussie in pers en politiek: hij was het boegbeeld van de DDR-journalistiek die de Berlijnse Muur als “antifascistische beschermwal” betitelde, hoewel die muur “andersom gebouwd” is, zoals de Oostduitse dissidente zanger Wolf Biermann ooit opmerkte. Van 1961 tot 1989 presenteerde Von Schnitzler 1510 keer het “Zwarte Kanaal”, een uitzending die de haat tegen de BRD moest aanwakkeren. Fragmenten van uitzendingen van de Westduitse televisie - waar officieren en het partijkader niet naar mochten kijken - werden in die "actualiteitenrubriek' uit het verband gehaald en van commentaar voorzien volgens de officiële ideologie.

Gisteren mocht hij nog één keer commentaar geven op de BRD-actualiteit. Hij haalde het citaat van bondskanselier Helmut Kohl aan die had verklaard dat Berlijn - door hoofdstad van Duitsland te worden - niet meer aan de rand van Europa, maar er midden in ligt. Dat is voor Von Schnitzler het bewijs van de imperialistische aspiraties van Kohl naar het oosten toe, “die worden voorbereid door de opslitsing van de Sovjet-Unie en Joegoslavië in kleinere, makkelijker onder Duitse controle te brengen staten”. Naar aanleiding van de publikatie van de Stasi-dossiers eiste hij dat ook “de CIA-dossiers met de moordplannen op de presidenten Castro en Nasser openbaar worden gemaakt.”

Een laatste keer mocht Von Schnitzler zijn voormalig kantoor betreden. Trots liet hij de telefoon op zijn bureau zien waarmee hij rechtsstreeks met het Centraal Comité van de communistische SED verbonden was. De bemoeienis van de staat met de media werd na het begin van de ontspanning en na de publikatie van de akkoorden van Helsinki almaar groter. Partijleider Honecker maakte vanaf halverwege de jaren zeventig de koppen in het dagblad Neues Deutschland zelf, onthulde gisteren een voormalige Oostduitse journalist in de discussie die op het laatste “Zwarte Kanaal” volgde. Hij voegde eraan toe: “In een dictatuur wordt het woord veel meer serieus genomen dan in een democratie waar je alles kunt zeggen zonder dat er iets verandert.”

Een speciale propagandistische behandeling werd door Von Schnitzler toebedeeld aan de Oostduitse soldaten die de “vredesgrens” met de kapitalistische BRD moesten bewaken. Speciaal voor hen sprak hij “speciale bandjes zonder taboe's” in die bij de grenstroepen de bereidheid moesten verhogen te schieten op mensen die probeerden het DDR-misdrijf “republiekvlucht” te begaan. In een bijna romantische bui vertelde hij dat hij en zijn vrouw elk jaar kerstmis hadden gevierd samen met de “strijders voor het socialisme” aan de grens.

Dat een groot deel van de Oostduitse bevolking geen begrip had voor zijn haatuitbarstingen tegen het Westen, wijt Von Schnitzler aan gebrek aan kennis. “Als zij alle feiten over het kapitalisme hadden gekend, zouden zij hebben begrepen waarom ik zo hard moest zijn.” De DDR heeft volgens hem gefaald omdat de staat de bevolking, met name de jeugd, onvoldoende informeerde over de misdrijven van het kapitalisme. Uit de ontspanning tussen Oost en West trokken veel politici in Oost-Europa verkeerde consequenties, vindt hij: “Vreedzame coëxistentie betekende niet dat de klassenstrijd niet doorging.”

Von Schnitzler betwijfelde zelf of iedereen in de communistische partijtop het ideaal van de “klassenloze maatschappij” ten allen tijde serieus nam. Hij vertelde dat hij tijdens zijn eerste gesprek met partijleider Ulbricht begin jaren vijftig vroeg het "von' uit zijn naam te mogen schrappen. Ulbricht wees het verzoek om naamsverandering af omdat hij het juist op prijs stelde dat iemand van de Duitse adel propaganda voor de communistische heilstaat maakte.