Conflictueuze relatie tussen bonden en NS

ROTTERDAM, 3 APRIL. Tenzij er een klein wonder gebeurt, gaat het treinverkeer maandag en dinsdag plat. Formeel hebben de Nederlandse Spoorwegen van de vakbonden tot vanavond 22.00 uur de tijd gekregen hun gewraakte voorstellen in te trekken. Maar de kans dat dit gebeurt lijkt na het vruchteloze faxverkeer van het afgelopen etmaal nihil.

Alleen de inmiddels door de reizigersvereniging Rover ingeschakelde kort-gedingrechter kan wellicht nog voor een wending zorgen.

Het is voor de derde keer in drie jaar dat de directie van NS en de vakbonden een arbeidsconflict dreigen uit te vechten over de ruggen van de reizigers (en het goederenverkeer). Twee jaar geleden betrof het een kortstondig loonconflict. Vorig jaar escaleerde onenigheid over de beveiliging van spoorwegpersoneel. En nu draait het vooral om meer loon en flexibeler werktijden.

Deze conflictueuze relatie zegt niet alleen iets over de relatief sterke positie van de vakbonden bij NS. Meer dan zestig procent van de 27.000 NS'ers mogen zij tot hun achterban rekenen.

Het zegt ook iets over de arbeidsverhoudingen in het traditioneel bureaucratische NS-bedrijf, dat er maar moeizaam in slaagt zijn nogal hiërarchische organisatiestructuur te vervangen door een meer aan de eigentijdse marktverhoudingen aangepast model.

Daarbij wordt van het spoorwegbedrijf op twee fronten actie verlangd. De relatie tot enig aandeelhouder - de staat - moet losser worden, opdat een zakelijker en marktgerichter beleid mogelijk wordt. Hierbij speelt een rol dat ook vanuit "Brussel' in steeds sterkere mate wordt aangedrongen op een zekere liberalisatie in het treinverkeer, waarbij althans een boekhoudkundige scheiding tot stand komt tussen de infrastructuur (overheid) en de exploitatie (spoorwegmaatschappijen), twee taken die van oudsher nauw verweven zijn.

In het verlengde van deze ontvlechting wil NS meer armslag. De voorstellen over flexibeler werken en meer differentiatie in de beloning passen daarin, evenals het verwijt van “behoudzucht” aan het adres van de bonden.

Deze vrezen dat de sociale vernieuwing die NS zegt voor te staan een eufemisme voor “achteruitgang in arbeidsvoorwaarden” zal betekenen. Op hun beurt dichten zij de NS-directie “een regentenmentaliteit” toe.