Commissie onderzoekt opleiding moderne talen

ROTTERDAM, 3 APRIL. De universiteiten moeten hun opleidingen in de moderne westerse talen beter organiseren. De kwaliteit van de docenten laat soms te wensen over, de opleidingen maken te weinig gebruik van deskundigheid buiten de eigen vakgroep, studie-advisering en -begeleiding is vaak afwezig en de administraties blijken vrijwel niet in staat betrouwbare cijfers over studenten en hun resultaten te produceren. Het niveau van de opleidingen is goed tot zeer goed.

Dat concludeert een Visitatiecommissie van deskundigen in het rapport dat zij vandaag aanbiedt aan de Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU). In haar onderzoek heeft de commissie gekeken naar het onderwijs in de taal- en letterkunde in het Nederlands en in de Romaanse en Germaanse talen. Volgens de buitenlandse deskundigen uit de commissie kan een goede opleiding gemakkelijk in vier jaar worden gegeven.

De commissie meent dat de studiebelasting in de meeste studierichtingen in de propaedeuse veel te laag is. In de overige jaren is deze vaak ongelijkmatig verdeeld. De commissie baseert zich daarbij op uitspraken van studenten. Aan de meeste faculteiten ontbreekt een betrouwbare meting van de studiebelasting.

Het personeelsbeleid aan de letterenfaculteiten baart de commissie grote zorg. De vaste staf vegrijst en is erg statisch. Ook is aan alle faculteiten, met uitzondering van die in Leiden, het aantal niet gepromoveerde docenten hoog. Er wordt weinig of niets gedaan aan de didactische scholing van de docenten, terwijl van een regelmatige personeelsbeoordeling maar zelden sprake is. De commissie vindt bovendien dat er te weinig docenten voor het onderwijs zijn.

De commissie meent dat alle opleidingen met een scriptie moeten worden afgesloten. In een aantal opleidingen is dat op dit moment niet het geval. Wel vindt de commissie dat de omvang van het werkstuk beperkt moet zijn. De student mag er hooguit drie tot vier maanden over doen. Nu is het vaak een half jaar.

Alleen bij studenten die wetenschappelijk onderzoeker willen worden mogen zwaardere eisen aan het werkstuk worden gesteld, vindt de commissie. Zij dringt er bij de faculteiten op aan de scripties bij voorkeur door twee beoordelaars te laten bekijken. In elk geval moet de beoordelende docent een andere zijn dan die welke de student bij zijn scriptie heeft begeleid. De commissie constateert dat nu in veel gevallen de begeleider ook de beoordelaaraar is.

De opleidingen moeten samen een beter toetsingssysteem opzetten dat landelijk dient te gelden. Ook is er dringend een diepgaand onderzoek naar taalverwerving nodig, aldus de commissie.