Charles Saatchi toont in Londen favoriete jonge Britse kunstenaars; Postmoderne meubels en vleesmassa's

Tentoonstelling: Young British Artists at the Saatchi Collection. Tot 6 aug. bij Saatchi, Boundary Road 98A, Londen, vr-za 12-18u. Catalogus: ƒ 50.

Wie door Saatchi wordt aangekocht, is zo goed als opgenomen in de eregalerij van de hedendaagse kunst, zo wordt beweerd. De aanhangers van deze mijns inziens wat overspannen overtuiging leken onlangs gelijk te krijgen. De Tate Gallery maakte deze maand namelijk verheugd bekend dat reclame-topman Saatchi dit vooraanstaande museum voor moderne kunst negen werken van Britse kunstenaars heeft geschonken, onder wie Richard Deacon en Julian Opie.

Zou het dan toch waar zijn dat een "Saatchi-kunstenaar' verzekerd is van een plaatsje in de kunstgeschiedenis? De spraakmakende collectioneur toont nu in zijn particuliere expositieruimte in Londen - een voormalig fabriekspand waarin hij sinds 1985 delen uit zijn verzameling toont - de jongste generatie Britten van wie hij recentelijk werk verzamelde.

De sensatie die deze expositie in Londen teweeg brengt, moet vooral worden toegeschreven aan de installaties van de 26-jarige Damien Hirst, wiens tijgerhaai op sterk water een centrale plaats op de tentoonstelling heeft gekregen. Voor de vervaarlijk geopende bek van deze mensenhaai staand, zien we onze eigen dood een fractie van een seconde in de ogen. Hirsts oeuvre zou opgevat kunnen worden als één voortdurende reflectie op onze sterfelijkheid. Behalve de afgehouwen koeiekop die wordt aangevreten door vliegen toont hij ook veel formeler werk. Aan de muren hangen kasten vol medicijnen, keurig gerangschikt als in een apotheek; sommige bevatten verdovende middelen, andere oude geneesmiddelen die - paradoxaal genoeg - door toedoen van de tijd puur vergif zijn geworden. Het zijn in zekere zin explosieven, die vertrouwd ogende flesjes en potjes, al is hun vermogen tot moorden dan niet zichtbaar. Met dezelfde schijn van luchthartigheid stelt Hirst kasten vol glazen weckpotten tentoon waarin organen zitten alsof het delicatessen waren. Alle potten te zamen bevatten het inwendige van een complete koe, aldus de kunstenaar.

De expositie in het voormalige fabriekspand in noord-west Londen is vernuftig ingericht. Sla je linksaf, dan beland je in rustiger, meer esthetisch vaarwater waar wordt voortgeborduurd op de formalistische kant van Hirsts werk. Wie naar rechts gaat, treft méer vleesmassa's aan, ditmaal geschilderd.

John Greenwoods surrealistische taferelen lijken op het eerste gezicht bloemstillevens, maar de ranken zijn verstrengeld met half-mechanische wezens wier ledematen behalve door hompen zalmkleurig vlees ook gevormd worden door een tafelpoot of saxofoon. Het verbaast dan ook niet dat Greenwoods grote voorbeelden Dali en Tanguy zijn. De in hyper-realistische stijl weergegeven omhelzingen van plant, insect-, machine- en mensachtigen getuigen van een kannibalistisch soort seksuele fantasieën. Overigens zijn volgens de catalogus alle stukken van Greenwood zelfportretten.

Aan de andere kant van de centrale zaal komt de bezoeker terecht bij de arrangementen van het duo Langlands & Bell, die het midden houden tussen architectuur en meubeldesign. In deze typisch postmoderne vormgeving ligt letterlijk een theorie ingebed. die luidt als volgt: vroeger drukte de façade van een gebouw de macht uit van bijvoorbeeld het stadsbestuur dat erin zetelde.

Tegenwoordig mag het uiterlijk van een gebouw niet meer autoritair zijn, maar moet een democratische gedachte weergeven; dat is met name zo bij instituten voor internationale samenwerking (een betrekkelijk nieuw fenomeen met zijn eigen symbolische architectuur) zoals de Verenigde Naties of het Europees Parlement. Het interieur van zo'n gebouw geeft de structuur van de organisatie weer. Niet voor niets wordt vaak gegrepen naar ronde of ovale plattegronden die een niet-hiërarchische structuur moeten symboliseren.

In de installatie Surrounding Time zijn de cirkelvormige plattegronden van onder meer het Colosseum en de onlangs gebouwde Gentse gevangenis La Maison de Force in wit gelakt hout weergegeven. Ze lijken als ruimteschepen te zweven in het zwarte fond waarin ze verankerd zijn. Eronder staan ovalen tafels met verzonken maquettes: de zaal van het Europees Parlement in Straatsburg en de plattegrond van de Brusselse universiteit. De immaterieel uitziende, elegante objecten verlenen de zaal van Langlands & Bell een hyper-gecultiveerde, futuristische atmosfeer. Alleen hun analyse van de "taal' die de huidige architectuur spreekt, behoedt hen voor lege esthetiek.

De monochrome doeken van Alex Landrum (1955) tenslotte lijden wèl aan dit euvel: ze zijn niet meer dan een trucje dat niet eens origineel is. In bijvoorbeeld een zachtblauwe verflaag verschijnen, ternauwernood waarneembaar, in dezelfde kleur de woorden cool oasis. Dat is de naam van deze tint, neem ik aan; de poëtische gaven van de verfindustrie resulteren overal ter wereld in dezelfde cliché's. Merkwaardig dat een verzamelaar die zulke mooie stukken van Ryman, Twombly en Mangold heeft, deze schaamteloze reprise van de minimal art zoveel eer aan doet.

Het beste zou zijn om deze aanwinsten voorlopig als niet meer dan een momentopname te beschouwen, een greep uit de jonge Britse kunst en een keuze die voor een ander dan de verzamelaar niet altijd goed te begrijpen is. Door echter van elk van deze kunstenaars meteen een heel cluster van werken aan te kopen, maakt Charles Saatchi wel degelijk een statement. De effecten hiervan zijn vooral voor Damien Hirst duidelijk: tentoonstellingen, kopers, prijsstijgingen. Je houdt je hart vast voor het moment dat Saatchi zo'n cluster werken in één keer verkoopt- dat is al diverse jonge kunstenaars overkomen.