Buytendijk

In zijn artikel in het Cultureel Supplement van 20 maart ontwerpt Van Heerden een beeld van Buytendijk dat enige nuancering behoeft.

Hij beticht hem daar van een grondige weerzin tegen het meten en experimenteren in de psychologie. Nu was dat zeker de houding van sommige andere vertegenwoordigers van de zogenaamde "Utrechtse school'. Zo heb ik Van den Berg eens horen verkondigen dat als er iets in de werkelijkheid gold dat per se niet in het laboratorium te repliceren viel en wat er dan wel uit experimenten voortkwam pure fictie was.

Bij Buytendijk lag dat wat gecompliceerder. Niet alleen was zijn eigen carrière voor een belangrijk deel gebaseerd op baanbrekende experimenten op het gebied van dierfysiologie en -gedrag, hij was na 1946 ook directeur van het psychologisch laboratorium geworden en stond een grondige scholing in het experiment voor. Twee perioden van onze pre-kandidaatsopleiding waren gewijd aan het psychologische experiment, waarbij de oude leermeester zelf controleronden liep die lichtelijk gevreesd waren. Bij de eerstejaarsvisite die wij als student bij hem moesten afleggen lagen ook altijd onze eigen rapporten over die experimenten op tafel, nagezien door de mindere grootheden, maar met enkele Buytendijkse kanttekeningen bij de zwakkere gedeelten. Die nam hij dan uiterst minzaam met je door.

Werkelijk, hij had een groot respect voor het experiment als middel om tot kennis te geraken. Het is waar dat hij een afkeer had van psychometrisch gemeet en in het algemeen van overijld geoperationaliseer dat in zijn ogen slechts futiele "feiten' opleverde. Vraagstellingen en experimentele uitwerkingen moesten in zijn visie een zeer nauw verband hebben. Die vraagstellingen moesten op zichzelf zinvol zijn en niet hun aanzien danken aan ver-afliggende theorieën waarvan zij in de geest van de onderzoeker verondersteld waren te zijn afgeleid. Groot belang werd daarbij gehecht aan pogingen de resultaten ook nog eens "alternatief' te verklaren, in een richting die in de kraam van de experimentator zelf minder te pas kwam.

Deze houding tegenover het experimentele onderzoek acht ik nog steeds inspirerend en van hoge waarde. Dat de "Utrechtse school' maar een kort leven beschoren is geweest lag dan ook niet zo zeer aan dit standpunt, maar aan het optreden van de discipelen van deze school. Tekortschietend aan inventiviteit om langs deze lijnen onderzoekbare vraagstellingen te bedenken, gaven velen van hen zich over aan oeverloos gespeculeer volgens diverse privé-"methodologieën' die men vergeefs in de gangbare handboeken zal zoeken.