Bert van Vlaanderen in marathon van Rotterdam op jacht naar limiet; Elegant in het voetspoor van Nijboer

Zondag wordt voor de twaalfde maal de marathon van Rotterdam gehouden. Kanshebbers voor de overwinning zijn de Duitsers Jorg Peter en Michael Heilman en de Mexicanen Alejandro Cruz en Salvardor Garcia. Er zijn ruim zestig wedstrijdlopers gecontracteerd. Voor Nederlanders is het de gelegenheid de limtiet voor Barcelona te halen. De start is om 13.00 uur op de Coolsingel.

TIENHOVEN, 3 APRIL. Tonnie Dirks is “een vechter”, John Vermeule “een sjouwer”, Bert van Vlaanderen “een roller”. Zo typeert Bob Boverman, bondscoach voor de midden- en lange afstand, de drie marathonlopers die de komende anderhalve week een gooi doen naar kwalificatie voor Barcelona. Vermeule en Van Vlaanderen zondag in Rotterdam, Dirks een week later in Londen. Ze moeten in elk geval onder de 2.14 lopen, de Olympische limiet van de Internationale Amateur Atletiek Federatie. En liever nog onder de 2.11,30, de richttijd die de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie hanteert.

Hun persoonlijke records ontlopen elkaar niet zoveel: van 2.12,22 tot 2.13,10. Maar hun stijlen zijn totaal verschillend. Van Vlaanderen is van het drietal de meest vloeiende, meest elegante loper. Zijn tred blijft bijna onhoorbaar. Alsof hij op luchtkussens loopt. Als een perpetuum mobile. Zonder energieverlies.

Zijn loopmakker Tonnie Dirks voorspelt hem nog een grote toekomst als marathonloper. Hij heeft het in zich om in het voetspoor te treden van Gerard Nijboer, tweede bij de Olympische Spelen van 1980, zegt Dirks. Maar zelf denkt Van Vlaanderen niet verder dan de Rotterdamse marathon. En dat zijn lopen er zo moeiteloos uitziet, zegt ook zo weinig. “Bij de finish voel ik me net zo beroerd als al die anderen.”

"Doe maar gewoon, dan gaat alles het beste', is het motto van Van Vlaanderen. Olijk jongensgezicht, 1,81 m, 60 kilo, 27 jaar. Geen atleet van tomeloze ambities en peilloze twijfels. Eerder het vleesgeworden loopplezier. Marathon lopen is voor hem nog altijd “gewoon maar een hobby”. Dat hij dagelijks twee keer traint, 180 tot 200 kilometer in een week loopt, doet daar niets aan af. “Een postzegelverzamelaar probeert toch ook hoe ver hij kan komen.”

Volgens de planning van zijn trainer John Wellerdieck, zou hij eigenlijk dit jaar pas zijn eerste marathon lopen. Onbedoeld maakte hij vorig jaar al zijn verrassend debuut. Bij de marathon van Rotterdam zou hij als "haas' voor Tonnie Dirks fungeren. Maar toen zijn gangmakersklus er na 30 kilometer opzat, had hij voldoende lucht om nog een stukje mee te lopen. En nog een stukje. Zo werd de haas tot ieders verbazing Nederlands kampioen.

Daarna heeft hij zijn hele seizoen geënt op de Spelen. Dat betekende dat hij afzag van de wereldkampioenschappen in Tokio, omdat hij wist dat hij daar op de marathon toch nooit de limiet voor Barcelona zou halen. Liever liep hij in september de 42,195 kilometer in Berlijn, mikkend op kwalificatie. Maar hij had pech want het was die dag drukkend weer geweest. Hij had zichzelf ook overschat, want hij was te snel van start gegaan. Hij had zich laten meeslepen en in gezelschap van al die “wereldtoppers” had hij vleugels gekregen. De eerste 27 kilometer stevende hij af op een tijd van onder de 2.10. Later had hij “zijn vleugels toch weer moeten inleveren”. Zijn tijd van 2.12,48 was onder die omstandigheden nog heel redelijk geweest. Maar niet goed genoeg.

In Rotterdam zal hem dan niet opnieuw gebeuren. In Rotterdam heeft hij het in theorie de eerste helft heel eenvoudig. Hij en John Vermeule haken gewoon aan bij een groepje hazen, dat op een schema van 2.11,30 zal vertrekken. Ze hoeven alleen maar te volgen. Maar halverwege “ben je toch aangewezen op jezelf”. Welk groepje blijft over? Wordt er versneld of vertraagd? En het belangrijkste: hoe fit ben je nog zelf?

Zo veel als Van Vlaanderen ziet tijdens de training, zo weinig ziet hij bij een wedstrijd. Geboren en nog altijd wonend te midden van de polders en de plassen, doet hij niets liever dan al lopend zijn spoor door de natuur te trekken. Door bos, over hei. Telkens andere routes. In het wilde weg. Op goed geluk. En onderweg ontgaat hem weinig van flora en fauna. Eksters, vlaamse gaaien, kieviten. Gisteren gingen er nog twee reeën voor hem op de loop.

Maar tijdens de wedstrijd lijkt hij met doofheid en blindheid geslagen. Zijn vriendin, zijn ouders, ze staan er bijna altijd, luidkeels roepend. Hij ziet of hoort ze vrijwel nooit. Zo is hij geconcentreerd op het wegdek, op zijn mede-lopers, op het koersverloop.

Hij vindt het wel leuk als er veel publiek is bij een wedstrijd en als het enthousiasme groot is. Maar dat voelt hij pas later, als hij naar de beelden op tv kijkt. Tijdens het lopen dringt die entourage nauwelijks tot hem door. Soms kijkt hij op zijn horloge naar een tussentijd. Soms vraagt hij zich af: hoe voel ik me. Maar verder denkt hij weinig. Kilometers trekken voorbij zonder dat hij er erg in heeft. “Als je voortdurend zou weten hoe ver het nog was, zou het veel moeilijker worden.”

Volgens de Australiër Robert de Castella, winnaar vorig jaar in Rotterdam, is marathon lopen voor 80 tot 90 procent een mentale kwestie. Oefenen van de geest, zeggen de deskundigen, is net zo belangrijk als trainen van het lichaam. Maar Bert van Vlaanderen houdt zich daar niet zo bezig. Daar heeft hij ook geen tijd voor, zegt hij, naast zijn training en zijn fulltime baan bij de technische dienst van een keten van modezaken. Dat is meer iets voor nerveuze mensen. En hij is rustigheid zelve. “Lukt het vandaag niet. Dan maar volgende keer. Je kunt er zo weinig aan doen.”

Natuurlijk heeft hij “zich de klere getraind voor Rotterdam”. En natuurlijk wil hij niets liever dan naar Barcelona. “Maar als het niet lukt dan verandert er weinig. Als ik goed loop, ben ik na drie dagen weer aan het trainen. Als ik slecht loop, train ik ook na drie dagen. Je moet toch verder.”