Architect Louis Kahn en de gebouwde stilte; De meester van de uitsparing

Licht en stilte waren de beginselen van de Amerikaanse architect Louis I. Kahn (1901-1974), aan wie in Parijs een tentoonstelling is gewijd. Kahn's gebouwen maken een ondoorgrondelijke indruk: “Is er wel een binnen, achter al die intrigerende uitsparingen, achter al die donkere cirkels en driehoeken?” Zijn mooiste gebouwen ontwierp Kahn toen hij zich afwendde van de ideologie van het modernisme en inspiratie putte uit de klassieke Romeinse bouwkunst.

Louis I. Kahn. Le monde de l'architecte. T/m 4 mei in Centre Georges Pompidou, Parijs. Geopend ma. t/m vrij 12-22 uur. Za. en zo. 10-22 uur.

Waarom wekt overweldigende, moderne architectuur in een straatarm land altijd wrevel op? Vooral als het gaat om overheidsgebouwen, sluimert in onze, bij de Derde wereld betrokken geesten een hardnekkige morele verontwaardiging over zoveel, nadrukkelijk vormgegeven imponeerdrift, terwijl de burgers die er langs lopen, honger lijden. Ik betrapte me op dit "Brasilia-gevoel' bij de eerste kennismaking met het stadsdeel Sher-e-Bangla Nagar rond de zetel van de Nationale Assemblee in Dacca, Bangladesh, ontworpen door de fameuze Amerikaanse architect Louis Kahn (1901-1974). In het Centre Pompidou in Parijs is een overzichtstentoonstelling aan zijn werk gewijd en de Assemblee-wijk, die naast regeringsgebouwen ook woonhuizen en een ziekenhuis als een stationshal omvat, wordt op de expositie zo aanstekelijk verbeeld dat de bezoeker, déze bezoeker althans, de aanvechting heeft opgelopen om Kahn's Dacca met eigen ogen in Bangladesh te gaan bekijken.

Opvallend is ook, dat ik bij het bestuderen van de maquettes, foto's en tekeningen van dit voor het veelzijdige oeuvre van Kahn zo essentiële hoofdstuk - hij heeft van 1962 tot aan zijn dood in 1974 aan "Dacca' gewerkt - het ongemakkelijke Brasilia-gevoel kwijtraakte. Kahn's Dacca is door zijn weidse, parkachtige aanleg met geplaveide plateaus, kale perken en roerloze waterpartijen op een luchtige, dus aangename manier indrukwekkend. De uit betonbanen opgetrokken "Citadel van de Assemblee' (Kahn's woorden) met strakke, geometrische omtrekken en uitsparingen - cirkels, recht- en driehoeken - lijkt weliswaar op een onverzettelijk, driedimensionaal alfabet dat in een "reflecting pool' wordt weerspiegeld, maar toch is het geheel niet nors, niet onherbergzaam, niet uit op intimidatie. Behalve de lichtgetinte citadel zijn alle andere gebouwen in Kahn's Dacca van roodgloeiend baksteen, de als in een kasbah aan elkaar geschakelde ronde en kubusvormige woonhuizen van de assembleeleden, de ontspanningsvleugels en het ziekenhuis.

Helaas zijn de met manshoge cirkels, rechthoeken en vierkanten opengenwerkte gevels van de meester van de uitsparingen op veel plaatsen wit uitgeslagen, zoals op de nogal harde kleurenfoto's is te zien. Dit zal zonder twijfel met het vochtige klimaat te maken hebben. Vergeleken bij het koude, ongevoelige Brasilia is Kahn's regeringscentrum een sprookjesachtige, bijna religieus gecomponeerde fata morgana. Een symfonie van stilte en licht, de twee pijlers die hij onder zijn architectuur heeft geplaatst.

Louis Kahn was een Amerikaans architect - naast Frank Lloyd Wright de grootste van de twintigste eeuw, zegt de lijvige monografie die als catalogus bij deze tentoonstelling is verschenen. Dit soort markeringen op de schaal der genieën vind ik nooit zo waardevol, maar afgemeten aan zijn invloed, vooral ook als architectuurdocent in Philadelphia, behoort Kahn beslist tot de smalle bovenlaag van bouwmeesters, die de internationale architectuur van deze eeuw heeft bepaald. Hij was een ingezetene van de Verenigde Staten, maar wel een Amerikaan met wortels in het oude Europa.

Armoede

Kahn werd in 1901 in Estland geboren op het eilandje Ösel - tegenwoordig heet het Sarema - voor de Russische kust. In 1905 emigreerden zijn joodse ouders met drie kleine kinderen naar de Verenigde Staten. De familie kwam terecht in een voorstadje van Philadelphia, waar het leven zich de eerste jaren in armoede voltrok. Louis' vader, begaafd als tekenaar en glasschilder, kon geen permanent werk vinden en zijn moeder onderhield het gezin als naaister in de in Philadelphia bloeiende confectie-industrie. De familie Kahn trachtte de band met de Duitse en joodse cultuur, met de muziek en de literatuur te onderhouden, maar vervreemdde van de religieuze praktijk. Louis Isadore - daar komt zijn middle initial vandaan - kon goed tekenen en had aanleg voor muziek. Na een cursus schilderen en beeldhouwen bracht het eerste talent hem op de gerenommeerde architectuuropleiding van de Universiteit van Pennsylvania en met het tweede talent verdiende hij wat geld als pianist en organist in de bioscoop. Op de Universiteit van Pennsylvania, waar de architectuuropleiding in die tijd de beste was van de Verenigde Staten en geheel opgezet in navolging van de gezaghebbende Ecole des Beaux-Arts in Parijs, was het ook een Franse architect, de hoofddocent bouwkunst Paul Cret (1876-1945), die in weerwil van de onwrikbaar heersende neo-classicistische opvattingen - zeker toen in Amerika - zijn studenten leerde dat de moderne democratie een eigen architecturale expressie verdiende.

Louis Kahn voelde zich vooral in filosofische zin door deze opvatting aangesproken. De architectonische tekeningen van de achttiende-eeuwse rationalisten als Louis Boullée en Claude-Nicolas Ledoux - ontwerper van een hoepelhuis waar een rivier doorheen stroomt, cirkels gecombineerd met water zijn in vele varianten te vinden in het werk van Kahn - had hij zich eigen gemaakt, net als de krachtige, sobere, romaanse burchtstijl van Viollet-le-Duc. Paul Cret maakte Kahn met een enthousiaste bespreking van Vers une architecture van Le Corbusier in 1927 - de Engelse vertaling was toen net verschenen - opmerkzaam op de leerstellingen van de excentrieke Franse grootmeester van de moderne architectuur.

Europa moest nu met eigen ogen worden ontdekt. Louis Kahn kwam op 3 mei 1928 aan in Plymouth en bleef veertien dagen in Engeland - op de tentoonstelling in Centre Pompidou liggen in een vitrinekast kopieën van opengeslagen paspoortbladen uit de jaren 1928 en 1929. Met al die verleidelijke stempels, die naar verre landen en fantasieën verwijzen, krijgen de reispapieren, onbereikbaar achter glas, een eigenaardig pornografisch karakter. Kahn bezocht ook ons land - ik heb nergens kunnen vinden wat hij hier heeft gezien - Noord-Duitsland, Denemarken, Zweden, Finland, Estland natuurlijk en Litouwen waar zijn moeder vandaan kwam. Hij reisde naar Berlijn na bijna een maand “op dezelfde grond te hebben geslapen waarop het kleine huisje van zijn grootmoeder stond” - zo staat in een interview met Jaime Metha, gepubliceerd in What Will Be Has Always Been: The Words of Louis I. Kahn. Het zij zo, architecten worden snel heilig verklaard omdat buitenstaanders ze nooit helemaal begrijpen. In Berlijn kwam hij voor het eerst daadwerkelijk in aanraking met de Moderne Beweging, met de opvattingen en resultaten van het Bauhaus. Veertien dagen waren genoeg, daarna ging hij naar het zuiden. Naar Oostenrijk en Hongarije en op 4 oktober 1928 arriveerde hij in Italië waar hij vijf maanden verbleef en prachtige aquarellen en felgekleurde tekeningen met pastelkrijt maakte.

Jammer dat op de tentoonstelling zo weinig van het werk van de vrije kunstenaar Louis Kahn is te zien. Die schetsen zeggen indirect veel meer over zijn architectuurbeginselen "licht en stilte', dan de modellen van zijn gebouwen. De vrije kunst die in Parijs hangt, is vooral afkomstig van een reis die Kahn maakte in het begin van 1951 en toont aan dat alle Aldo Rossi's de techniek van de architectuurtekening als illustratie van een ontwerpopvatting, van hem hebben afgekeken. Kijk maar eens naar "Interieur van een tempel in Karnak' (januari 1951). Of naar "La Piazza del Campo in Sienna' (1951). Bij het bestuderen van de vrolijke verkeersstudie voor het centrum van Philadelphia (1955) kon ik niet anders dan denken aan het auto-referendum in Amsterdam, want ik bekeek het plaatje op 25 maart. Heel veel pijltjes, dus dikke verkeerstromen had Kahn in het studieplan getekend. Geen sprake van autoluwte, wat dat ook moge betekenen. De rode, gele en witte vlakken op het verder zwarte studieblad, lijken abstracte symbolen voor parkeergarages. Zo moet het ook in Amsterdam, dacht ik in Parijs: een ingenieus, samenhangend plan voor parkeergarages, zo onzichtbaar mogelijk. "Overal en Nergens' kan dat plan heten en het moet uitblinken in bewegwijzering.

Opruiming

Na terugkeer in de Verenigde Staten - in Europa had hij bijna permanent getekend - bleef Louis Kahn vier jaar praktisch werkeloos door de economische crisis na de beurskrach in 1929. Hij vertoonde een grote sociale betrokkenheid en alle onderwerpen die hem in de jaren dertig aantrokken, waren verbonden met de maatschappelijk geëngageerde politiek van Roosevelt, zoals de opruiming van de krotten, de sociale woningbouw en de toekomst van de stad, thema's die ook de vooruitstrevende Europese architecten intens bezighielden. Het is geen toeval dat het grote stedebouwkundige plan dat Kahn in 1939 voor Philadelphia ontwierp, regelrecht is geïnspireerd door de twee beroemde "steden' van Le Corbusier, "Een stad voor 3 miljoen inwoners' en vooral het Plan Voisin voor Parijs.

De loopbaan van Louis Kahn bewijst weer eens dat grote architecten pas in de tweede helft van hun leven echt groot worden. Hoewel hij in 1937 een eigen bureau had opgericht, duurde het tot het einde van de jaren veertig, begin jaren vijftig, voordat hij als ontwerper zijn draai leek te hebben gevonden. Hoewel zelf modernist, wendde hij zich af van de in die naoorlogse jaren alleenheersende ideologie van het modernisme, zoals beleden in de groep van de International Style, door Philip Johnson, Ludwig Mies van der Rohe, Walter Gropius en in zekere zin ook door Le Corbusier. Louis Kahn zocht bij zijn onderzoek naar "de orde' van een gebouw steun in de geschiedenis. In zijn streven naar een lichte, verstilde bouwkunst combineerde hij vormen uit het klassieke verleden, ging hij te rade bij de Franse revolutie-architectuur van Ledoux en bij Viollet-le-Duc. Hij herstelde de door de Bauhaus-school geschonden eer van de Ecole des Beaux Arts en gaf de historische bouwkunst weer betekenis en waarde in de moderne architectonische vormgeving. Een leerling-architect van Kahn's beroemde Master Studio: “In zijn studio moedigde hij ons altijd aan om referenties te zoeken bij historische bouwwerken. Hoewel een begenadigd spreker, kon hij eens niet de juiste woorden vinden om een bepaalde karakteristiek van de Barokke ruimte uit te leggen. Hij begon toen plotseling een passage te zingen uit Bach's "Fuga en Toccata'.”

Als geen ander heeft Louis Kahn aangetoond dat een architect die niet reist, stilstaat. Ingrijpend voor de ontwikkeling van zijn persoonlijke visie, voor het inzicht dat terugkeer naar de elementaire principes van de architectonische compositie de enig juiste keuze was, moet zijn verblijf op de Amerikaanse Academie in Rome zijn geweest, van december 1950 tot februari 1951. Hij bezocht de archeologische plaatsen en de ruïnes, de steenmassa's, ontdaan van hun marmeren bekleding en in uiteenlopende staat van onttakeling. Die bakstenen kaalheid, die oervormen als een boog, een vierkante nis, een zuil, zijn de wezenlijke stijlkenmerken van de architectuur van Louis Kahn. Het meest genadeloos en onthullend gebruikte hij de stereometrische vormen uit de Romeinse geschiedenis in India en Bangladesh. Kahn's Dacca heb ik al beschreven, maar zonder erbij te vertellen dat de plattegrond van dit residentiële stadsdeel mij onmiddellijk aan die van Villa Hadrianus deed denken.

Intrigerend

Het Indian Institute of Management in Ahmedabad (1962-1974) is op sommige foto's en met een beetje goede wil niet van een Romeins thermenbadhuis te onderscheiden, waarin ook de zware muur van Aurelianus is verwerkt. En voor dit gebouw geldt wat voor de meeste, vooral voor de oosterse gebouwen van Kahn geldt: wat zich binnen afspeelt is ondoorgrondelijk. Soms, nee vaak, is de vraag: s er wel een binnen, achter al die intrigerende uitsparingen, achter al die donkere cirkels en driehoeken? Om dit te achterhalen, moet de bezoeker ter plaatse gaan kijken, naar Dacca reizen, naar Ahmedabad, maar ook naar La Jolla in Californië en naar Fort Worth in Texas. Want, nu mijn aandacht erop is gevestigd, vraag ik me af of de Salk Institute for Biological Research (1959-1965) in La Jolla wel een binnenkant heeft en hoe het zit met het interieur van het Kimbell Art Museum (1966-1972) in Texas.

Zijn deze vragen op elke architectuurtentoonstelling te stellen - het gaat per slot van rekening altijd om afbeeldingen, om modellen van de werkelijkheid en nooit om het kunstwerk zelf - of ligt die uitstraling van innerlijke leegheid aan de bouwkunst van Louis Kahn?

Ik denk het laatste.

Het Kimbell Art Museum is een prachtig, paviljoenachtig gebouw. Licht, sereen en elegant gestileerd vormt het een esthetische eenheid met het kwetsbare omringende bomenpark en de aansluitende waterpartij. Met genoegen kijk ik naar detailopnamen van de constructie, naar de geraffineerde manier waarop de halfronde daken in de hoekpunten op de vierkante zuilen rusten. De verstilling is volmaakt. Er is geen geluid, geen enkel signaal uit het hart van dit uiterlijk ideale museumgebouw dat de stilte verstoort, of ooit zal verstoren. Het is de stilte van de begraafplaats. Ik zal naar La Jolla in Texas moeten reizen om te achterhalen of mijn uiteindelijke oordeel juist is, dat de architectuur van Louis Kahn in uiterlijke, weliswaar klassieke vormen is blijven steken en in zielloosheid is gesmoord. Uitsluitend op basis van de expositie in Parijs, mooi en helder ingericht door de Japanse architect Arata Isozaki, durf ik zo'n rigoureuze gevolgtrekking niet te doen. Een architectuurtentoonstelling blijft een tentoonstelling van architectuur.