Willekeur verdwijnt door overleg over strafmaat

Tussen de straffen die verschillende rechters opleggen voor vergelijkbare delicten blijken grote verschillen te bestaan. Recent onderzoek laat zien dat bepaalde rechtbanken relatief mild straffen, terwijl andere juist als hard bekend staan.

Ongelijkheid van straftoemeting is een oud probleem. In 1975 hield Ch.J. Enschedé, toen lid van de Hoge Raad en eerder hoogleraar in de strafrechtswetenschappen in Amsterdam, een pleidooi voor het ontwikkelen van een straftoemetingsmodel per delictscategorie. Zo'n model zou voor de officier van justitie als uitgangspunt bij zijn requisitoir moeten fungeren, en voor de rechter een referentiepunt kunnen zijn.

Sindsdien is daar voor een aantal delicten het één en ander van terecht gekomen. Voor delicten als rijden onder invloed en een aantal andere veel voorkomende delicten bestaan dergelijke modellen die door officieren van justitie worden gehanteerd. Dat zijn de zogeheten requireerrichtlijnen. Die geven aan welke straf hij in standaardgevallen moet requireren. Ze dekken niet het hele terrein van de veel voorkomende criminaliteit en zijn veel grover dan Enschedé zich waarschijnlijk had voorgesteld.

De grote rechtsongelijkheid op het terrein van de straftoemeting is er niet door weggenomen. Het bestaan daarvan is blijkens onlangs verschenen publikaties nog steeds actueel. Het hoofdredactionele commentaar van NRC Handelsblad van 20 maart zegt dat de probleemstelling uit de koker van technocraten op het departement van justitie komt. Dat is een bewering, die ik niet eerder was tegengekomen. Men kan er zich eerder over verbazen dat dit departement niet al lang in ruime mate middelen ter beschikking heeft gesteld om iets tegen die ongelijkheid te doen.

Wie ermee wordt geconfronteerd dat een pleger van een overval in het ene arrondissement één of twee jaar gevangenisstraf krijgt opgelegd, terwijl in het andere arrondissement zo'n zelfde type overval met dienstverlening wordt bestraft, zal zich daarover verbazen. Daarvoor behoeft men geen departementale bureaucraat te zijn. We spreken hier natuurlijk niet over twee totaal verschillende typen overvallen en twee volkomen onvergelijkbare verdachten.

De verbazing zal nog groter zijn als die twee zo uiteenlopende uitspraken van twee verschillende kamers uit hetzelfde college afkomstig zijn. En de verbazing zou tot nòg grotere hoogte stijgen, indien die uitspraken door dezelfde rechter, maar op verschillende dagen zouden zijn gedaan. Weinigen zullen aarzelen in dit laatste geval te spreken van willekeur.

Maar waarom zou er in de eerste en de tweede variant geen sprake zijn van willekeur? Is er wèl reden om die te rechtvaardigen, met het argument dat straftoemeting nu eenmaal maatwerk is?

In ons strafrechtsstelsel heeft de rechter bij de straftoemeting grote vrijheid. Die is niet aan hem gegeven om willekeur te bedrijven. We moeten ons niet alleen tegen willekeur van het bestuur, maar ook tegen willekeur van de rechter beschermen. Ooit was dat een argument om in de wet gefixeerde straffen op te nemen en dus de rechter, als hij eenmaal had vastgesteld dat een bepaald delict was gepleegd, geen vrijheid te laten.

Die gedachte is gelukkig verlaten, omdat daarmee wel formele, maar geen materiële gelijkheid werd bereikt. De materiële gelijkheid bestaat erin dat in alle opzichten, qua daad en qua persoon, vergelijkbare gevallen gelijk worden behandeld en verschillende gevallen - naar de mate van de verschillen - verschillend.

Het bereiken van die materiële gelijkheid is een van de opdrachten van de rechter. De rechter leeft niet met de door hem te behandelen concrete strafzaak in een afgeschermd stukje van de wereld. Hij maakt met zijn zaak deel uit van een systeem dat we strafrechtspleging noemen. De burger over wie hij oordeelt, maakt deel uit van de samenleving, staat niet alleen op de wereld.

Dit inzicht voert tot de notie rechtsgelijkheid, die algemeen wordt gezien als een aspect van de notie rechtvaardigheid. De rechter moet rechtvaardig zijn, dus ook rechtsgelijkheid betrachten. Hij zal daartoe zaken en personen moeten vergelijken en nogal eens op grond van verschillen tot verschillende uitkomsten komen.

Vaak zal moeilijk te bepalen zijn of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoonlijke omstandigheden waarin daders verkeerden (en verkeren) en hun persoonlijkheden, vergelijkbaar zijn. Het is typisch de taak van de rechter die verschillen te waarderen.

Dat vormt echter geen rechtvaardiging voor verschillen van straftoemeting die niet zijn te herleiden tot ongelijkheden van daders en hun daden. De rechter vervult een publieke functie. Dat legitimeert niet tot het doordrijven van strikt persoonlijke opvattingen, los van hetgeen andere rechters doen.

Hoe is nu meer rechtsgelijkheid te bereiken? Rechters weten vaak niet eens hoe er door collegae wordt gestraft. Binnen één en hetzelfde college gebeurt het dat de ene kamer heel anders optreedt dan de andere kamer. Dat geldt in nog sterkere mate tussen de verschillende colleges. Vaak gebeurt dit zonder dat men het van elkaar weet.

In Nederland bestaat geen algemeen documentatiesysteem van straftoemeting. Dat zou uitstekende diensten kunnen bewijzen ter opheffing van dit manco. Zo'n systeem zou in de vorm van een databank kunnen opereren. Dat is dan niet, zoals een door ons geënquêteerde rechtbank het uitdrukte, een Handboek Soldaat dat de rechter als een automaat hanteert. Zo'n databank zou gevallen kunnen produceren waarmee de rechter het zijne kan vergelijken.

Daarnaast zouden rechters met elkaar kunnen overleggen over de straftoemeting. Op basis daarvan zouden per categorie van veel voorkomende delicten uitgangspunten van straftoemeting kunnen worden opgesteld. Op beperkte schaal gebeurt dat al wel. Niets staat een dergelijk overleg in de weg. Ze moeten er daarbij wel voor waken dat de grondslag van hun functie niet in gevaar komt. In strafzaken is die grondslag de rechtsbescherming van de burger. Die zou in gevaar kunnen komen indien de rechter zich niet meer vrij zou voelen de bijzondere omstandigheden van het concrete geval een rol te laten spelen.

In de afspraken moet besloten liggen dat ze alleen gelden, als er zich geen bijzondere omstandigheden voordoen. Hij mag niet ter wille van de uniformiteit die bijzondere omstandigheden buiten beschouwing laten. Daarmee zou hij de rechtsgelijkheid niet dienen. Die bestaat er immers in dat alleen als zaken vergelijkbaar zijn, deze gelijk worden behandeld. De strafrechter zou de poten onder zijn eigen stoel weg zagen, als hij zou abstraheren van die bijzonderheden. Hij miskent dan de kern van de hem gegeven opdracht: de burger beschermen tegen de overheid.

Dat overleg tussen rechters zou kunnen resulteren in straftoemetingsmodellen waarin voor een aantal veel voorkomende delicten straftarieven worden opgesteld. Allerlei factoren als recidive, leeftijd, schade zouden daarin kunnen worden opgenomen.

We moeten ons in Nederland wel degelijk bezinnen over het vraagstuk van de gelijkheid van straftoemeting. Straftoemeting moet meer zijn dan een kwestie van intuïtie en aanvoelen. De eis van minimale rationaliteit mag ook aan de straftoemetende rechter worden gesteld.