Vijf jaar hoger onderwijs voor ouderen

"De ouderen hebben de toekomst. Dat denken ze tenminste zelf'. In het op bejaardenhuistemperatuur gestookte zaaltje van het Groningse cultureel centrum De Oosterpoort geeft een dertiger op fluistertoon zijn samenvatting van de inleidingen die hij net heeft gehoord. Voorlopig komt hij nog niet in aanmerking voor het hoger onderwijs voor ouderen (HOVO), het thema van de conferentie. Daarvoor is vijftig jaar de minimumleeftijd.

Het HOVO bestaat in Nederland vijf jaar en dat werd in Groningen door 150 conferentiegangers op bescheiden wijze gevierd. In deze stad werd in 1986 de eerste Senioren-academie in het leven geroepen. Inmiddels telt Nederland tien senioren-academies.

De cursussen van de Senioren-academie in Groningen zouden ook uit een programmaboekje van een Studium Generale kunnen komen: Hoogtepunten uit de Middeleeuwse literatuur; Analyse van het wohltemperiertes Klavier; Sterrenkunde: het evoluerend heelal; Capita selecta uit het Nederlands recht; Gerontologie en ontwikkelingspsychologie. Maar dan zou die Studium Generale wel overdag moeten worden gehouden. ""Je moet er nu eenmaal rekening mee houden dat veel ouderen 's avonds niet graag de straat opgaan'', aldus een medewerker. Ook kunnen de cursussen niet op woensdagmiddag worden gegeven - dan passen veel ouderen op hun kleinkinderen.

Een cursus van de Groningse Senioren-academie omvat wekelijks een hoorcollege van twee uur, gevolgd door een werkcollege van eveneens twee uur. De hoorcolleges worden gegeven door docenten van universiteit of hogeschool, de werkcolleges staan onder leiding van net afgestudeerden of gevorderde studenten. De cursussen duren over het algemeen tien weken en kunnen worden afgesloten met een tentamen.

Bij de programmering wordt er voor gezorgd dat de cursisten elk half jaar een ander aspect van het onderwerp onder ogen krijgen. Zo volgden na verscheidene cursussen Inleiding in de psychologie onder meer Hersenen en gedrag, Sociale psychologie, Persoonlijkheidspsychologie en Psychotherapie.

Het hoger onderwijs voor oudere studenten staat in de belangstelling. Wie door de gangen van een universiteit of hogeschool loopt komt daar voortdurend studenten tegen die zichtbaar niet tot de traditionele studentenpopulatie behoren. In wervingsadvertenties richten universiteiten en hogescholen zich in toenemende mate tot ouderen. "Aanschuifcolleges' waarbij niet-studenten tegen betaling en voor zover er plaats is gewone collegecycli kunnen volgen, zijn al gemeengoed. Een groot deel van deze oudere studenten zit (weer) in de banken om zich bij te scholen.

Binnen de groeiende groep oudere studenten nemen de 50-plussers een aparte plaats in. Voor hun loopbaan doen de studenten in het HOVO het niet meer. Zij lopen college omdat, zoals een van de deelnemers aan de conferentie het formuleerde, ""je in het onderwerp geïnteresseerd bent''. De 64-jarige volgde tot dusver vrijwel alle cursussen die de academie organiseerde: ""Ik kan nu eindelijk de dingen doen waar ik zin in heb. Ik heb altijd al een brede belangstelling gehad, maar ik gunde me nooit veel tijd om me in onderwerpen te verdiepen die wat verder van mijn dagelijkse werk aflagen.''

Frans concept

De Fransman Pierre Velas had in de jaren zeventig het "sociaal welbevinden' van ouderen - omschreven als ""een beter leven voor ouderen in gemeenschap met anderen'' - voor ogen toen hij het concept voor de "Université du troisième âge' ontwikkelde. Oorspronkelijk bedoeld voor 60-jarigen en ouder, is in de loop der tijd de leeftijdsgrens vrijwel overal naar 50 jaar gezakt.

In het concept van Velas is het onderwijs voor ouderen steeds aan een universiteit of hogeschool gekoppeld. Het hoort hoger onderwijs te zijn, gevoed vanuit universiteit of hogeschool, maar met een aantal specifieke kenmerken. Zo gelden er geen vooropleidingseisen (al blijkt een ruime meerderheid van de studenten gekwalificeerd voor het hoger onderwijs) en worden er voor hen speciale collegecycli samengesteld. Daaraan is meestal wel een diploma verbonden, maar dan één zonder civiel effect.

In Frankrijk, waar anders dan in Nederland niet zoiets als volksuniversiteiten bestond, heeft het hoger onderwijs voor ouderen een grote vlucht genomen. Frankrijk telt een kleine vijftig van deze universiteiten (met meer dan 100.000 studenten). Wallonië heeft er twaalf (13.000 studenten) en Franstalig Zwitserland negen (8.000 studenten). Ter vergelijking: aan de tien Nederlandse instituten voor HOVO volgen jaarlijks naar schatting zo'n 5.000 studenten een of meer cursussen. Daarnaast zijn zo'n 3.000 studenten van de Open Universiteit, vijf procent van de totale populatie, vijftig jaar of ouder. Aan de gewone universiteiten en hogescholen zijn dat er nog eens ongeveer 2.500.

In Duitsland komt het onderwijs voor ouderen geleidelijk aan ook van de grond. Bij de vormgeving ervan wordt grotendeels aangesloten bij het door Velas ontwikkelde model. De Duitse universiteiten en hogescholen hebben al sinds 1976 de taak om te zorgen voor permanente educatie ("wissenschaftliche Weiterbildung'). Aan veel universiteiten en hogescholen kunnen ouderen als toehoorder colleges volgen, vaak worden er voor hen nu ook aparte cycli samengesteld.

In Groot-Brittanië zijn de "Universities of the third age' heel anders georganiseerd. Door en voor ouderen lijkt er het motto te zijn, zo bleek uit de enthousiaste en aandoenlijke beschrijving die de National vice-chairman of the university of the third age, J. Thompson, in Groningen van het stelsel gaf. Voor een deel is het Engelse systeem volgens hem het resultaat van de wens om de overheid zoveel mogelijk buiten de deur houden. Maar deels, ""heel ongelukkig'', is het ook het gevolg van de weigering van de universiteiten om de oprichting van de "Universities of the third age' te ondersteunen.

De Engelse universiteiten voor ouderen, in grootte uiteenlopend van 100 tot 1.000 studenten, maken zo veel mogelijk gebruik van lokaal aanwezige, dus niet altijd academische onderwijsdeskundigheid. Mede daardoor kan het collegegeld laag blijven: 5 pond per jaar, een bedrag dat ook betaalbaar is voor degenen die alleen maar een staatspensioen krijgen.

Regelen de ouderen in Groot-Brittanië de financiering en het onderwijsprogramma van de verschillende universiteiten voor ouderen zelf, in België, Duitsland, Frankrijk en Nederland wordt daarvoor naar de overheid gekeken. En die staat in deze landen bepaald niet te springen om substantieel in de kosten bij te dragen. Ook universiteiten en hogescholen zijn maar in beperkte mate bereid de activiteiten voor ouderen te financieren.

De suggestie dat er voor een samenleving ook geen reden is om het onderwijs aan 50-plussers te betalen - het maatschappelijk nut ervan is immers nihil - leidde in Groningen tot enige stemverheffing. Prof.dr. J.Th. Snijders, oprichter en voorzitter van het Groningse HOVO, meent dat de overheid te veel vraagt als ze eist ""dat eerst moet worden aangetoond wat de inverdieneffecten van het hoger onderwijs voor ouderen zijn''.

Wel bestaan er volgens Snijders ""sterke argumenten om aan te nemen dat er maatschappelijke baten zijn''. ""Ten eerste levert activering een belangrijke bijdrage aan de gezondheid en het welbevinden van ouderen, waardoor ze minder snel een beroep zullen doen op dure zorgvoorzieningen. Daarnaast draagt onderwijs voor ouderen bij aan hun sociale participatie en integratie.''

Maar meer nog dan het gebrek aan geld lijkt de didactiek een knelpunt in de ontwikkeling van het onderwijs voor ouderen te zijn. Het geven van onderwijs aan ouderen is iets anders dan het geven van onderwijs aan twintigjarigen, aldus prof.dr. L. Zahn, directeur van het "Seniorenstudium' aan de Pedagogische Hochschule in Schbisch-Gemnd. ""Bij dit onderwijs moet rekening worden gehouden met het korte-termijngeheugen van oudere mensen, dat duidelijk minder is dan dat van jongere mensen: veel details ontgaan hen, ze leren langzamer en hebben meer tijd nodig om de aangeboden stof te verwerken. Aan de andere kant moeten docenten er rekening mee houden dat oudere studenten over meer levenservaring beschikken en gemakkelijker de samenhang tussen verschillende onderwerpen zien.''

Bovenal zal het onderwijs voor ouderen, zeker als dat is gekoppeld aan universiteit of hogeschool, steeds het doel van "algemene vorming' voor ogen moeten houden. Volgens Zahn wordt nog te veel gedacht in termen van "opleiden', terwijl dat voor deze studenten al lang niet meer aan de orde is.

Als alle problemen worden opgelost voorziet Snijders een grote toekomst voor het HOVO. Hoger onderwijs voor ouderen wordt volgens hem een noodzakelijke voorwaarde in een 21e eeuw ""waarin ouderen niet alleen talrijker zullen zijn, maar ook anders: vitaler, actiever''.