Verzuilde scholen

Het in stand houden van scholen op levensbeschouwelijke grondslag kost de maatschappij te veel geld.

Mee eens: 49%. Mee oneens: 36%.

Er moet ruimte geboden worden aan scholen op levensbeschouwelijke grondslag.

Mee eens: 54%. Mee oneens: 32%.

Een ordelijke en open discussie over de verzuiling in het onderwijs is vrijwel onmogelijk. Rationele argumenten worden vaak ingeruild voor emotionele. Ook gaat het al gauw niet meer over de vraag wat onderwijs op levensbeschouwelijke grondslag is en of dit onderwijs wel uit de staatskas moet worden gefinancierd. Aan de orde is wie de macht heeft in onderwijsland en hoe de eigen belangen kunnen worden beschermd - al staat dat natuurlijk nooit zo openlijk op de agenda.

Toch is een bezinning op de verzuiling van het onderwijsstelsel noodzakelijk. De vraag is immers gerechtvaardigd of de 15 miljard gulden die het rijk jaarlijks in het basisonderwijs en in het voortgezet onderwijs steekt zo wordt besteed dat daarvan de best mogelijke leerresultaten worden bereikt. Het antwoord daarop zal ""neen'' zijn. Een groot deel van het geld gaat op aan zaken die niets met het onderwijs zelf van doen hebben, namelijk aan de consequenties van het zuilenstelsel. De talrijke kleine schooltjes, vaak naast elkaar, de ondersteunende diensten in viervoud en de bureaucratische apparaten van de koepelorganisaties kosten veel geld.

Onderzoek naar de kosten van de verzuiling is moeilijk en schaars. Dr. J.B.J. Koelman berekende in 1987 (in zijn proefschrift De kosten van de verzuiling) dat alleen al in het basisonderwijs de verzuiling ruim 500 miljoen per jaar kost. Het Sociaal Cultureel Planbureau kwam in de jaren tachtig tot ongeveer hetzelfde bedrag voor het voortgezet onderwijs. De kosten voor de koepelorganisaties (die ook door de overheid worden gefinancierd) en voor de extra instellingen op het gebied van de onderwijsondersteuning zijn in die bedragen niet begrepen.

Ruim een miljard gulden kost de verzuiling derhalve - hoewel tot dusverre alle uitkomsten van het onderzoek naar de kosten door de zuilen zijn bestreden. Het kan zijn dat de samenleving zegt dat de verzuiling in het onderwijs haar dit waard is. Zij kan bijzonder onderwijs als een vorm van tegenwicht tegen het openbaar onderwijs wenselijk vinden - en daar is veel voor te zeggen. Maar ook daarvoor is het gewenst dat er een goed inzicht bestaat in de (extra) kosten die de verzuiling en het bijzonder onderwijs met zich mee brengen.

In de praktijk geven overigens ouders zelf steeds vaker aan niet zo sterk meer te hechten aan onderwijs op levensbeschouwelijke grondslag. De schoolkeuze wordt in toenemende mate bepaald door de bereikbaarheid van de school, de kwaliteit van het onderwijs, het regime van de school, de extra voorzieningen - zoals overblijfmogelijkheden. Op die gronden geven veel ouders de voorkeur aan bijzondere scholen boven openbare. Vaak wordt de levensbeschouwelijke grondslag daarbij op de koop toegenomen. Maar van hun kant zijn ook de scholen minder kieskeurig geworden. In de afgelopen jaren min of meer door de nood gedwongen doordat er alsmaar minder kinderen voor de scholen beschikbaar kwamen. In het basisonderwijs is het leerlingental inmiddels gestabiliseerd, in het voortgezet onderwijs is het laagste punt nog niet bereikt.

De scholen zelf reageren ook vindingrijker op de veranderende omstandigheden. Steeds vaker besluiten basisscholen van verschillende denominaties met elkaar te gaan samenwerken en als het mogelijk is in hetzelfde gebouw onderwijs te geven. In een nieuwe wijk hoeven daardoor niet twee, drie nieuwe scholen gebouwd te worden maar kan worden volstaan met één gebouw - zij het voorlopig nog met verschillende vleugels.

Het bijzonder onderwijs en de verzuiling lijken op de terugtocht. De laatste veertig jaar is het openbaar onderwijs sterker gegroeid dan het bijzonder onderwijs (in 1950 telde het openbaar lager onderwijs 27 procent van de leerlingen, inmiddels is dat al meer dan 32 procent). In het hoger beroepsonderwijs heeft de schaalvergroting al bijna een einde gemaakt aan de zuilenstructuur. In het middelbaar beroepsonderwijs wordt van de huidige fusieronde hetzelfde effect verwacht.

De grotere vrijheid die scholen in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs nu krijgen kan daar het einde van de huidige koepels inluiden. In een studie voor verschillende verzorgingsinstellingen (W.J.M. Kickert en Q. van Koolwijk: Onderwijs in de samenleving, een toekomstverkenning) wordt aangegeven dat de bestuurlijk grotere scholen die daarvan het gevolg zijn zich minder aan hun koepels gelegen zullen laten liggen. Zij zullen hun belangen in toenemende mate laten behartigen door regionale administratiekantoren - wat op den duur de doodsteek voor de koepels kan betekenen. Onlangs opende de koepelorganisatie voor het algemeen bijzonder onderwijs in Zuid-Limburg een administratiekantoor voor haar klanten in die regio: ruim twintig katholieke scholen. Een zwaluw?