Verzekeraars willen af van risico's natuurrampen

DEN HAAG, 2 APRIL. De industrie in Nederland en andere Westerse landen is aan een drastische heroriëntatie van zijn produktieprocessen toe om milieuproblemen de baas te worden en een duurzamer ontwikkeling mogelijk te maken. Zeer energie-intensieve bedrijven als de producenten van aluminium, chloor en chemische produkten, zullen andere processen moeten ontwikkelen en andere produkten moeten gaan maken die dezelfde functies kunnen uitoefenen.

Dat zegt dr.ir. Pier Vellinga, die vandaag aan de Vrije Universiteit in Amsterdam zijn intree rede houdt, als hoogleraar Milieuwetenschappen en Veranderende Aardsystemen. Als titel voor zijn rede koos hij: “De aarde is niet verzekerd”. Hij waarschuwt: “Het levenslijntje is breekbaar. De enige manier waarop de werking van het systeem kan worden verzekerd, is een drastische vermindering van de invloed van menselijke activiteiten.”

De kans is groot, aldus Vellinga, dat het aantal tropische stormen door klimaatverandering de komende decennia met 50 procent toeneemt. “De laatste dertig jaar is het aantal natuurrampen al sterk gestegen en verzekeringsmaatschappijen proberen hun risico's ten aanzien van klimaatverandering te verkleinen. Bepaalde objecten in kwetsbare gebieden, zoals kustzones, willen ze al niet meer verzekeren, en het risico van opeenvolgende extreme weersomstandigheden zien ze het liefst op de overheid afgewenteld.”

Vellinga specialiseerde zich tijdens zijn studie al op de gedragingen van kwetsbare kusten, werkte onder andere op het Waterloopkundig Laboratorium en op het ministerie van VROM. Nu is hij naast zijn hoogleraarschap directeur van het Instituut voor Milieuvraagstukken van de VU. Vooral aan de klimaatverandering door emissies van kooldioxyde en andere broeikasgassen en de stijging van de zeespiegel schenkt hij in zijn rede veel aandacht. Daarbij gaat hij lijnrecht in tegen alle pessimisme over de klimaatconferentie van de Verenigde Naties (UNCED) die in juni in Rio de Janeiro wordt gehouden.

“Minister Nijpels heeft mij in 1988 bij VROM aangenomen. Hij vroeg: Hoe lang denk je dat het duurt eer er een wereldklimaatverdrag komt? Vijf à tien jaar, schatte ik. Maar het ziet er naar uit dat we al in 1992 zo'n verdrag krijgen, waarin alle geïndustrialiseerde landen overeenkomen een beleid te ontwikkelen met als streven een stabilisatie van de kooldioxyde-emissies in 2000, op het niveau van 1990. Ik geef toe, dat is nog niet de harde doelstelling die de Europese Gemeenschap wil. Voor de Amerikanen, die nu nog niet verder willen gaan, is het is een inspanningsverplichting. Maar als ze daarmee akkoord gaan, is dat wel een historische stap vooruit.”

Het uiteindelijke doel reikt veel verder, zegt Vellinga. “Atmosferische concentraties van CO2 moeten zo snel mogelijk worden gestabiliseerd, op een niveau ruim beneden een verdubbeling van de emissies van vóór het industriële tijdperk. Die verdubbeling dreigt nu, we zitten al op 140 procent. Om er onder te blijven zullen de geïndustrialiseerde landen vanaf nu hun CO2-emissies met 1 à 2 procent per jaar moeten terugdringen. De groei in ontwikkelingslanden moet tegelijkertijd beperkt blijven tot 2 procent, in plaats van de huidige 4 procent per jaar.”

Vellinga is ervan overtuigd dat ook in Amerika in het jaar 2000 een stabilisatie van CO2 economisch haalbaar is. “Natuurlijk kost het wat geld, dat is in Europa ook zo. In de EG zullen we de energieheffing nodig hebben. Maar ook in de Verenigde Staten zijn er voortrekkers. Bijvoorbeeld in Californië hebben twee openbare nutsbedrijven miljoenen dollars geïnvesteerd om de emissies in het jaar 2000 met tien procent terug te brengen en in 2010 met 20 procent. Dat doen ze zonder verlies aan winst, door meer zonne-energie en warmte/krachtkoppeling toe te passen en door besparingen bij de afnemers van elektriciteit. Het kàn dus wel.”

“Micro-economisch gezien krijg je winners en losers, ja. Bij voorbeeld de petrochemie en de glastuinbouw krijgen het heel moeilijk. En Nederland moet op een bepaald moment puur zakelijk redeneren: we kunnen ons aardgas beter duur verkopen dan het goedkoop beschikbaar stellen voor aluminiumproduktie.”

Maar in het algemeen wil de nieuwe hoogleraar de industrie en de werkgelegenheid vasthouden. “Je moet niet het kind met het badwater weggooien. Wel moet de industrie door het milieubeleid worden gestimuleerd om zich te heroriënteren, en ze moet intensief internationaal samenwerken. De chemie moet zodanig veranderen dat je minder afval krijgt en dat kunststoffen zoveel mogelijk worden hergebruikt. In Duitsland worden producenten nu al verantwoordelijk gesteld voor het terugnemen van verpakkingen, en in toenemende mate voor het afval. Dat geldt ook voor exporteurs, zoals de Nederlandse. Dan verandert er iets fundamenteel, want een importeur zal geen produkten meer kopen als het afvalprobleem niet eerst is opgelost.”

Op langere termijn bepleit Vellinga een “fossielvrije energiemaatschappij”, waarin de koolstofkringloop is gesloten. Op den duur is deze energiebron immers eindig. “Zonne-energie zal olie, gas en kolen kunnen vervangen, in de warme streken kan men met de opgewekte elektriciteit waterstof produceren, die net als olie getransporteerd kan worden, zij het in gekoelde schepen. Op waterstof kun je een auto laten rijden. Die auto's bestaan al, in Duitsland zijn er al waterstof-tankstations, en het kan een energiebron zijn voor de industrie. Een andere mogelijkheid is elektriciteit, opgewekt met zonne-energie, via super-geleiding, zonder verliezen over een lange afstand te transporteren.”

Terug naar de korte termijn: Vellinga is ook lid van de Algemene Energie Raad en in die kwaliteit moet hij binnenkort meewerken aan een advies aan de regering over het rapport van de Commissie-Wolfson over regulerende energieheffingen. Hij vindt het jammer dat het kabinet sinds vorige zomer bij de industrie “krediet heeft verspeeld” met de kwestie van de WABM, de milieuheffing waarvan de opbrengst niet aan de consument en de industrie wordt teruggegeven. “Maar de opvatting van de werkgeversorganisatie VNO, dat er nu ook geen EG-heffing moet komen, lijkt mij toch onjuist. Zij reageerden op de rapporten van de commissie-Wolfson die aangaven dat bedrijven zich zouden verplaatsen als er alleen in de OESO-landen zo'n kostenverhoging komt. Maar die verwachting was gebaseerd op arbitraire aannames. De commissie heeft vooral gekekeken naar de transportkosten voor produkten. Als die tegen de heffing zouden opwegen, concludeerde men, zouden de activiteiten zich naar het buitenland verplaatsen. Maar er is geen rekening gehouden met andere produktiefactoren. Ik zou wel eens met de industrie willen nagaan op welke gronden wordt gekozen voor de plaats van investeren en produktie.”