Van Cao: "Het is nu te laat voor componeren'

Een “langdurig gekooide Indochinese Michelangelo”, noemt hij zichzelf giechelend: “musicus, schilder, schrijver, poëet, verzetsman.” In zijn land geldt Van Cao (70) vooral als boegbeeld van het dissidentendom.

Hij lijkt al tot stof vergaan. Wat resteert is een vertederende schim, een geestverschijning die met stramme rug op zijn uit 1954 daterende bed zit, soms verward murmelend, dan weer lucide verhalend over de wijze waarop het regime hem - nota bene componist van 's lands volkslied - dertig jaar het zwijgen oplegde.

Geboren als telg van een boeddhistische familie in de noordelijke havenstad Haiphong werd Van Cao in de jaren dertig lid van het koor op een katholieke Franse school. Later bezocht hij de kunstacademie in Hanoi. Het was een periode waarin zijn "revolutionaire bewustzijn' werd gevormd. “Dat ik ervoor koos mensen te doden stemt me niet trots”, raspt de kunstenaar. “Integendeel, het doet me nog elke dag verdriet. Maar het westerse kolonialisme en de Japanse bezetting vroegen om een gewelddadige Vietnamese vrijheidsstrijd.”

Tussen lege koekblikken, uitgedroogde mandarijnschillen en stoffige stapels houtskoolschetsen vindt Van Cao's echtgenote in de onverwarmde kamer een kopie van Voorwaarts Mars, de compositie die een halve eeuw geleden door Ho Chi Minh werd uitgeroepen tot Vietnamees volkslied.

Onze vlag, rood door het bloed van de overwinning, ademt de geest van ons land.

Het verre ratelen van de geweren vermengt zich met ons martiale lied.

Het pad naar glorie loopt over de lichamen van onze gehate vijanden.

Nauwelijks een decennium na het schrijven van die regels raakte Van Cao uit de gratie. Nippend aan zijn bittere thee haalt hij herinneringen op aan de "bourgeois-fouten' die hem werden aangewreven: zijn voorkeur voor lieflijke melodieën, zijn toetreding tot een organisatie van humanistische auteurs, zijn veroordeling van de moorden op grootgrondbezitters, zijn nimmer met het collectieve denken strokende eigenzinnigheid. Van Cao kreeg te verstaan dat “het gebruik van de pen officieel verboden” was. Voor de deur van de schamele kunstenaarswoning stonden vierentwintig uur per dag agenten.

“Creativiteit is het levenssap van de mensheid”, zegt hij. “Wie creativiteit doodt, doodt het leven zelf. Toch kan ik de politici die mij isoleerden onmogelijk haten: ze begrépen niet, ze waren simpelweg niet in staat te bevatten dat een land zich pas werkelijk onafhankelijk mag noemen als het denken er vrij is.”

Achter hem hangt een somber doek: langs een rode paal klimmen grijze, halfdode lichamen omhoog - ogenschijnlijk een voorstelling waaruit ongeloof in het communistische ideaal spreekt. Maar Van Cao is tot op de dag van vandaag partijlid gebleven. “Ik bemin mijn land en de leer die het aanhangt. Ik voel me als een kind in de armen van een moeder die ten onrechte heeft gestraft: je lijdt pijn, maar ze blijft je moeder, iemand die in de kern goed is.”

Ach, glimlacht hij, zo streng is de opvoeding trouwens niet meer. Sinds enkele jaren luidt het sleutelwoord doi moi, perestrojka op z'n Vietnamees. Structurele kritiek op de communistische partij is nog uit den boze, maar corrupte officials worden in de dagbladen met naam en toenaam aangevallen, de middenstand herrijst, privébezit van produktiemiddelen is weer toegestaan, boeren mogen een groot deel van hun oogst zelf verhandelen, en kunstenaars luchten hun hart.

Van Cao is inmiddels gerehabiliteerd: tijdens een speciale gala-avond in de opera van Hanoi speelde het plaatselijke symfonieorkest tal van zijn werken. “De hoofdstad liep uit, men vocht om kaartjes”, zegt hij. “Geen Vietnamees was vergeten dat de uiteindelijke overwinning op de imperialisten werd geboekt op de tonen van mijn lied.”

Ondanks het feit dat Voorwaarts Mars in de loop der jaren duizenden malen ten gehore moet zijn gebracht, heeft Van Cao niet één dong (huidige koers: tweehonderdste cent) aan royalty's ontvangen. Het verdeelde bewind dicussieert al tijden over de vraag of hij in aanmerking komt voor een staatspensioen. “Ik verwacht het antwoord op mijn begrafenis”, spot de componist. Tot die tijd wordt hij onderhouden door vrienden en westerse diplomaten die af en toe eieren, biscuits en zakjes rijst komen brengen.

Onder een raam staat wat ooit een piano was. Langzaam schuifelt Van Cao naar het afbladderende, scheve instrument. “Het is jaren geleden dat ik heb gespeeld”, verklaart de componist. “Voor éénmaal dan.” Het wordt een triest concert: twee van de drie snaren blijken gebroken, de rest produceert bij het aanslaan van de toetsen een geluid dat oorpijn opwekt. Ten teken van zijn frustratie bewerkt Van Cao de piano met vuist en elleboog.

Als hem bij het afscheid voorzichtig financiële hulp voor de aanschaf van een beter instrument wordt aangeboden, schudt hij beslist het hoofd. Mijn hersens en handen willen niet meer. Ik kan nog maar één ding doen: terugstraffen. Vals spelen. Jammeren. Tot aan m'n laatste ademtocht. Een nieuwe piano zou mij die stem ontnemen - dan ben ik opnieuw monddood.''

Foto: Componist Van Cao. Op de tonen van mijn lied overwonnen de Vietnamezen (Foto Lineke Rippen)