Sleutels, zegels en snippers in een Dordtse beerput

Uit een verzameling heuveltjes van huisvuil en klei, door pionierende boeren in het Zuidhollandse veen opgeworpen om hun voeten droog te houden, ontstond in de elfde eeuw een nederzetting.

Het ging de plek voor de wind. Gelegen in de buurt van twee belangrijke verkeersaders - Rijn en Maas - onderhielden de bewoners handelscontacten met Limburg, België en het Duitse Rijnland. De ruimte tussen de terpen werd na 1150 opgevuld en voor bewoning geschikt gemaakt en Dordrecht, want om die stad gaat het, breidde zich daarna gestaag uit. In de loop van de dertiende eeuw werd de oorspronkelijke houtbouw vervangen door (prestigieuze) huizen van baksteen. Maar de ondergrond was hiervoor te slap en de gebouwen verzakten. De grond werd steeds opgehoogd. Begane grond werd kelder. In veel gevallen herbouwden de Dordtenaren hun woningen vanaf een nieuw fundament dat bovenop het oude rustte. Waarna het ophogen en verzakken weer begon. De zo ontstane wirwar van funderingslagen is kenmerkend voor de oude kern van het Dordtse bodemarchief.

Op een dergelijke meervoudige fundering stond vanaf de zestiende eeuw een befaamd monumentaal pand. Wijnhandelaar Matthijs Berck had van een rijtje oorspronkelijk middeleeuwse huizen een luxe koopmanswoning laten maken, de mooiste van heel Dordrecht. Dit huis, bekend onder de naam De Berckepoort, kreeg als vanzelf een representatieve functie. Illustere gasten vonden er logies: de hertog van Alva, watergeus Lumey, Willem van Oranje, de graaf van Leicester. In de achttiende eeuw kocht de gemeente het gebouw waarna het dienst deed als herberg, snijkamer, kazerne, school en bibliotheek. Een gedeelte van het pand behield zijn woonfunctie, een ander stuk werd vanwege straatverbreding afgebroken. Nu wordt De Berckepoort gerestaureerd om over een jaar of twee de Stichting Educatief Centrum te huisvesten. Bij de restauratie was een verlaging van het keldervloerniveau gepland waardoor archeologische informatie over de "onderkant' van De Berckepoort en van Dordrecht verloren dreigde te gaan. De afdeling Lek- en Merwestreek van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN) kreeg toestemming voor onderzoek van kelders en fundamenten.

Leden van de AWN hebben in totaal acht putten gegraven en onderzocht. Dit leverde het verwachte beeld op van verzakkingen en gestapelde fundamenten. Verder een waterput, een afvalkuil en - gefundenes Fressen voor stadsarcheologie - een beerput. Uit de gebruikelijke inhoud: gebroken aardewerk, pijpekoppen, glas en dergelijke kon worden afgeleid dat de put ooit moest zijn geleegd en schoongemaakt. Maar niet zorgvuldig. Onder de restanten van een houten vlonder deed de AWN haar curieuze vondsten: zevenentwintig waszegels (waarvan twintig zonder afbeelding), een houten stempel, perkamentsnippers met opschriften (vooral cijfers) en eenentwintig sleutels.

Waszegels waren tot ongeveer 1500 in gebruik en één is er geïdentificeerd. Hij behoorde toe aan Henric van Dinslaken Vrederixz, Dordts schepen van 1374-1375. Voor de sleutels neemt men voorlopig een ongeveer gelijke ouderdom aan, maar naar goede archeologische gewoonte houdt men in het achterhoofd dat wat bij elkaar ligt niet noodzakelijk uit dezelfde tijd stamt. De Lipsfabriek, die de sleutels heeft bekeken en geconserveerd wist ze evenmin precies te dateren. Daarom zoekt de AWN-afdeling Lek- en Merwestreek contact met musea in Duitsland en Frankrijk.

Is de dateringskwestie opgelost dan blijft dat merkwaardige, de fantasie prikkelende samenstel van vondsten. Maar zoals al met andere woorden gezegd: die hebben mogelijk helemaal niets met elkaar uit te staan.