Oude kanonnen

Men kan er wel vanuit gaan dat het niet zal lukken de persoon te vinden die voor het eerst op de gedachte kwam het moderne plastic elektriciteitsbuis als schietbuis voor kegelvormige, papieren projectielen aan te wenden.

Zoals onbekend zal blijven of eerst sneeuwbessen en pas daarna Libelle-blaadjes als projectielen werden ingezet, of dat het andersom ging. Of tegelijk: de bessen voor het nabij-gevecht, de blaadjes voor de grote dracht. In deze tak van techniek vindt geen geschiedschrijving plaats. Waarschijnlijk stamt de vinding uit de jaren vijftig, veel meer valt daarover niet makkelijk aan de weet te komen.

Pijnlijker is dat deze week al evenmin iemand te vinden was die zich herinnerde hoe vroeger groene erwten werden verschoten. Wat was de schietbuis en kon daarmee ook naar beneden worden geschoten of stond de gebrekkige passing van het projectiel in de buis dat niet toe?

Zo zag de afdeling techniekgeschiedenis van de sectie AW, dezer dagen vanaf hoge balkons bestookt door Libelle- èn Margriet-projectielen, zich opeens voor de vraag gesteld of de kanonnen die in Napoleontische tijd werden ingezet wel naar beneden konden schieten. Men leest vaak dat de artilleristen hun batterijen, terwille van het ruime schootsveld, op een "verhevenheid' in het slagveld plaatsten. Omdat, ongeacht de aanzienlijke dracht van de wapens, meestal slechts op zeer nabije doelen werd geschoten moet daarbij de loop in veel gevallen naar beneden hebben gewezen. Hoe werd toch voorkomen dat de kogels uit de loop rolden voor het kruit ontbrandde? En meer vragen zijn er dan ineens. Hoe gevaarlijk waren die massieve ronde kogels nu helemaal? Hoe werd er gericht? Hoe groot was de vuurkracht?

Bellen met het Delftse Legermuseum/Armamentarium. Daar worden alle vragen binnen een half uur beantwoord. J.P. Puijpe, conservator oude wapens, staat de pers te woord alsof hij nog dagelijks historische kanonnen, houwitsers en mortieren bedient. Dat is niet zo, al kan het er - zegt hij - binnenkort inderdaad van komen. Afgelopen december goot Hoogovens de laatste gietijzeren kanonnen voor de "Batavia' en men heeft het vaste voornemen daar ook werkelijk mee te gaan schieten.

Op één vraag bleef Puijpe het antwoord schuldig: of de artillerie in Napoleontische oorlogen ooit een beslissende rol speelde. Of zij eenbattle-winning factor was. Hij sluit het niet uit, maar heeft zijn twijfels. ""Het ging toch vooral om de beweeglijkheid in het gevecht en in die tijd was de artillerie niet erg mobiel.''

Zeker is dat Napoleon de rol van de artillerie, tot aan 1800 eerder ondersteunend dan doorslaggevend, belangrijk opwaardeerde zodat het succes van zijn veldtochten vanzelf op het wapen afstraalde. Werden halverwege de achttiende eeuw door Engeland gemiddeld maar 9 stuks geschut per 10.000 man infanterie ingezet (Enc. Britannica) een korte berekening leert dat bij Quatre-Bras, Ligny en Waterloo gemiddeld zo'n 19 tot 23 vuurmonden per 10.000 manschappen beschikbaar waren, met het hoogste aantal aan Franse kant. Toch lijkt 20 stuks geschut op 10.000 man geen overmacht. En dan: hoe effectief waren die ijzeren ballen?

Effectief, zegt Puijpe, want men trok in die tijd in zeer gesloten formaties op. Maar waarschijnlijk werden helemaal niet zoveel massieve kogels gebruikt. Het was zeker zo gebruikelijk kartetsen en bommen te verschieten. Een kartets bestaat uit een groot aantal ijzeren of loden ballen of kogels ("schroot') die in een leren zak bijeen zijn gebracht. Wat een "bom' heette, zou men tegenwoordig eerder een granaat noemen. Het was een met kruit gevulde ijzeren bal die met hulp van een lont werd aangestoken. Brandde de lont dan was het zaak het geheel te verschieten vóór het in de loop van het kanon ontplofte. (Hier ontmoeten wij dus, eindelijk, de oerbom die in ontelbare cartoons het vaste attribuut van de terrorist was). Bommen werden verschoten met een mortier, krombaangeschut met een korte loop die de lont van de bom voor de artillerist bereikbaar hield (voor het geval het schot niet afging). De vuursnelheid van de historische kanonnen was aanzienlijk: getrainde artilleristen haalden wel twee schoten per minuut (zij het dat zij het kanon na een schot of acht moesten laten afkoelen om zelfontbranding van het kruit te voorkomen.)

De zwakke plek van de artillerie was, zo te zien, het richten. Eerder een kwestie van proberen dan van berekenen, zeker waar het ging om houwitsers en mortieren: krombaangeschut. Veel hing daar af van de vraag of de al door prins Maurits in 1619 (in navolging van de Duitsers) ingevoerde standaardisatie in kogelgewicht (6, 12, 24 en 48 pond) en de standaardisatie in kardoezen (de zakken kruit) voldoende nauwkeurig was uitgevoerd. Dan nog kon een ingesleten loop veel bederven.

Iets simpeler lag het bij het vlakbaangeschut (met lange loop) van de kanonnen s.s. Daarmee werd in principe point-blank geschoten: recht op het doel. Waterpas-schoten, noemt Puijpe dat, want kennelijk bevond de hartlijn van de schietbuis (de ziel) zich daarbij meestal in horizontale positie. Toch was het richten "langs de ziel' ook weer niet zo eenvoudig omdat de loop van een klassiek kanon taps toeloopt. Achteraan is hij het breedst. Alleen ervaren artilleristen konden "over de spijs' richten, maar bij voorkeur gebruikten zij speciale richtmiddelen die op de loop werden gegespt.

Doorslaggevend voor het inzicht is dat men gewoonlijk, anders dan tegenwoordig, op zeer nabije doelen mikte. Doelen op 100 of 80 meter of nog dichterbij. In een verslag van de slag bij Waterloo vindt men, als illustratie hiervan, beschreven hoe een officier van de brigade Van Bijlandt tegelijk met de kogel ook "de prop van de lading in zijn gezicht kreeg'.

Die prop, tenslotte, was het hulpmiddel waarmee voorkomen werd dat de kogels voortijdig uit de loop rolden. Want dat was, schrijft de sectie AW hier voldaan, inderdaad een erkend euvel. Voortijdig kogelverlies werd verhinderd met een dot touw of "werk' die na de kogel in de loop werd geduwd.