"Ontwikkelingshulp behoeft geen minister'

Prof.dr. P.R. Baehr, hoogleraar mensenrechten aan de universiteiten van Leiden en Utrecht, leidde kortgeleden een delegatie van Nederlandse en Europarlementariërs naar Guatemala, dat evenals Indonesië een slechte reputatie heeft op het gebied van de mensenrechten. Het inhouden van ontwikkelingssteun is volgens hem echter niet het aangewezen sanctiemiddel.

UTRECHT, 2 APRIL. “Eerbiediging van de rechten van de mens behoort een centraal bestanddeel te zijn van van het Nederlandse buitenlandse beleid. Maar of je het inhouden van ontwikkelingshulp onmiddellijk als wapen moet hanteren is een tweede, omdat het gevaar bestaat dat je daarmee de verkeerde mensen treft. Je moet het afwegen tegen andere methoden, bijvoorbeeld het aan de orde stellen van schendingen bij internationale organisaties, zoals de VN-commissie voor de rechten van de mens, of bij de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE), wanneer het betreffende land daarbij is aangesloten. En je kunt bilaterale demarches ondernemen, zoals economische of culturele sancties - zie Zuid-Afrika.”

Prof. Baehr, hoogleraar rechten van de mens aan de universiteiten van Utrecht en Leiden, vindt dat Nederlandse ontwikkelingshulp soms te gemakkelijk als sanctiemiddel is gebruikt, onder meer tegenover Indonesië. De Nederlandse minister voor ontwikkelingssamenwerking Pronk treedt daarbij volgens Baehr “wel eens wat ongenuanceerd” op, bijvoorbeeld “door per se naar Atjeh te willen reizen” en door “te willen vasthouden aan het voorzitterschap van de IGGI”, de groep van donorlanden aan Indonesië. De huidige Indonesische afwijzing van Nederlandse ontwikkelingshulp aan Indonesië - “een merkwaardig en uniek geval” - zou van die houding het gevolg zijn.

Baehr is als leider van een delegatie Nederlandse en Europarlementariërs juist teruggekeerd van een bezoek aan Guatemala. Hij pleit ervoor om tegen landen die - zoals Indonesië, Guatemala en Sri Lanka - een slechte reputatie bezitten op het gebied van de mensenrechten "alle middelen' in te brengen, dus ook de in EG-verband te sluiten handelsakkoorden. En het is zelfs denkbaar dat Nederland bij zeer ernstige gevallen een symbolische daad stelt door de diplomatieke verbindingen te verbreken. “Maar je moet altijd in het hoofd houden wat je ermee wilt bereiken. Het voelt misschien wel lekker, je lijkt er een daad mee te stellen, maar of het zoveel beter is ...”

Zou de Nederlandse regering nu bijvoorbeeld het aantal toeristen dat naar Bali reist moeten afremmen?

“Indonesië schendt de rechten van de mens, in Oost-Timor, in Atjeh en West-Irian. Dat moet worden uitgezocht en de verantwoordelijken verdienen straf. Als het afremmen van toeristenreizen een middel zou zijn om dat te bevorderen, zou ik daar zeker voor zijn. Maar als het afwijzen van Nederlandse ontwikkelingshulp een impuls is van Soeharto - "we zullen ze eens mores leren' - en misschien tevens een verkiezingsmanoevre, dan zou het eerder koren op zijn molen zijn.”

“Zijn de nuances die wij zien tussen ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse politiek voor het buitenland niet te subtiel?

“Ik heb als voorzitter van de adviescommissie "mensenrechten en buitenlands beleid' destijds voorgesteld dat Nederland alle aspecten van onze verhouding met Indonesië op een rij zet: zowel op het gebied van ontwikkelingshulp, als de mensenrechten, economische relaties en het strategisch belang van Indonesië. Dan kan de Tweede Kamer die relatie eindelijk als geheel beoordelen, in plaats van nu eens over een dreigende executie, dan weer over een ander incident te vergaderen. Minister Van den Broek voelde daar niets voor. Hij zei dat ik die nota dan zelf maar moest schrijven.

Hoort ontwikkelingssamenwerking wel onder een zelfstandige minister te vallen?

“Ik zou mij er niet tegen verzetten als het een staatssecretariaat van BZ zou worden. Ontwikkelingssamenwerking is - net als bijvoorbeeld een deel van de culturele betrekkingen - een onderdeel van het buitenlands beleid. Wij hebben er een aparte minister voor, omdat wij symbolisch willen laten zien hoe belangrijk wij ontwikkelingshulp vinden. Maar dat geeft fricties, omdat de ministers Pronk en Van den Broek het vaak met elkaar oneens lijken. Daardoor kan in het buitenland de indruk ontstaan dat Nederland met twee tongen spreekt. Persoonlijk sta ik wat dichter bij Pronk, maar dat doet er niet toe: er hoort maar één persoon te zijn die eindverantwoordelijkheid draagt voor het buitenlands beleid en dat is in Nederland de minister van buitenlandse zaken.”

Baehr wil er geen misverstand over laten bestaan dat Indonesië op het gebied van de mensenrechten een slecht figuur slaat. Het heeft - met China en India - altijd geweigerd vertegenwoordigers van Amnesty International toe te laten en van alle internationale mensenrechtenverdragen heeft het “maar een piepklein beetje” geratificeerd, namelijk twee VN-verdragen die rechten van vrouwen garanderen. “Op het gebied van discriminatie, burgerrechten, economische en sociale rechten, martelingen, genocide: niets - dat is een brevet van onvermogen. Blijkbaar heeft Indonesië iets te verbergen en er is dus alle reden ze te verdenken en druk te blijven uitoefenen.”

Baehr zegt echter bang te zijn dat Nederland nu voorzichtiger wordt bij het veroordelen van mensenrechtenschendingen in Indonesië, zoals in de zaak van Oost-Timor. Daarbij moet Nederland zich niet laten leiden door het Indonesische argument dat de voormalige koloniale machthebber Nederland zich driehonderd jaar lang zo slecht heeft gedragen en daarom nu geen recht van spreken heeft. “Als dat zo is, geeft het Indonesië nog geen vrijbrief voor schendingen van de mensenrechten, noch om ons de mond snoeren. Bij Guatemala hoef je die discussie in elk geval niet te voeren.

“Iedereen zegt nu te hopen dat die niet-gouvernementele relaties met Indonesië niet in het gedrang komen. We zitten er als het ware op te wachten of de Indonesische president zijn ja-woord wil geven. Dat vind ik een angstige houding. Het beviel mij trouwens ook niet dat er drie Nederlandse ministers naar Davos moesten afreizen om te vragen of wij alsjeblieft in Zuid-Afrika op bezoek mogen komen. Nederland hoeft niet al te hoog van de toren te blazen, maar je kunt ook te ver gaan. Dat gevoel krijg ik nu ook weer.”