Niet brons of marmer, maar afval is populair bij jonge beeldhouwers

Tentoonstelling: "Pierre de Touche, toetssteen'. T/m 26 april in het Noordbrabants Museum, Verwersstraat 41, 's-Hertogenbosch. Di t/m vr 10-17 u. Za en zo 12-17 u. Catalogus ƒ 15,-

Met ongeveer dertig sculpturen van negen jonge Nederlandse kunstenaars geeft het Noordbrabants Museum een overzicht van drie "Touche-prijs' tentoonstellingen.

De Touche-prijs, ingesteld in 1987, is naast de Prix de Rome voor beeldhouwers, die slechts eens in de zeven jaar wordt uitgereikt, de enige prijs die beeldhouwers in de wacht kunnen slepen. Bernaar Leenders, Karen Oude Alink, Stan Roukens hebben de afgelopen jaren de Touche-hoofdprijs van tienduizend gulden gewonnen. Behalve hun werk zijn ook beelden tentoongesteld van zes winnaars van een materiaalprijs - Frank Besemer, Paul Cox, John Maters, Arjanne van der Spek en Ans Verdijk. De bekroonde beelden zijn aangevuld met van ieder twee recentere sculpturen.

De kunstenaars moeten om voor beloning in aanmerking te komen, jonger zijn dan vijfendertig jaar en zichzelf aandienen. Hun werk wordt door een jury bekeken aan de hand van dia's. En daarin schuilt meteen de zwakke kant van de prijs. Van de drie- à vierhonderd kandidaten die iedere keer meedingen moet een enorme hoeveelheid dia's bekeken worden. Het beoordelen van ruimtelijk werk op een plat plaatje is een hachelijk waagstuk. Fotogenieke kunst kan in werkelijkheid behoorlijk tegenvallen.

Neem de afvalcontainer van John Maters, gemaakt van afvalhout. Een aardig idee en hij ziet er ook op foto aardig uit. Hij is brutaal voor de ingang van het museum neergezet, wellicht als demonstratie tegen het te lage prijzengeld van 1.250 gulden. Maar buiten bij de entree van het museum lijkt de bak nergens naar, een belabberd object.

Wat is er op de tentoonstelling binnen te zien? Is de bak daar een afspiegeling van, of is het een geintje en staan er binnen bronzen of marmeren beelden op sokkels?

Jonge beeldhouwers, zo blijkt althans in Den Bosch, leveren geen ouderwets hakwerk af, hoewel Rodin nu weer "in' is en in de schilderkunst het klassieke genre ook weer bijna "de rigueur' is. Op de Pierre de Touche-tentoonstelling domineert nog altijd arte povera-achtige kunst. Niks marmer of brons, maar afvalmateriaal, in elkaar gezet op huiskamerformaat.

Tussen de sculpturen, die veel te dicht op elkaar staan in de voor deze tentoonstelling te kleine museumruimte, handhaven de beelden van de Rotterdammer Paul Cox zich met veel bravoure. Ze zijn samengesteld uit onartistieke materialen en objecten als asfalt, beton, opklapbedden, deuren en gipsplaten. Wie niet onlangs bij het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With de sculpturen van Jessica Stockholder heeft gezien, zou zijn werk verrassend origineel kunnen vinden en in hem een soort Beuys kunnen zien, een Beuys die de oorlog niet heeft meegemaakt.

De beelden van Karen Oude Alink wijzen een nieuwe richting uit. Haar recente gipsen sculpturen zijn ingetogen schoon, wit en soms klassiek vloeiend van lijn, bijna figuratief.

Van een andere schoonheid zijn de beelden van Bernaar Leenders. Hij stapelt identieke elementen van gips tot heldere sculpturen waarin de nadruk ligt op de afleesbaarheid van het fabrieksmatige produktieproces. Om dat te benadrukken staat een beeld op een pallet. Zijn benadering is wat academisch. Het gaat in zijn stapelobjecten om het zijn en niet-zijn van de vorm (vorm en tegenvorm).

Tevens academisch maar toch anders geschoold, zijn de beelden van Kees Buckens, die door zijn werkwijze kan worden gezien als de enige "echte' beeldhouwer in het gezelschap. Voor hem betekent het vak niet meer dan wat rudimentair hakken in een brok natuursteen; altijd mooi maar overbekend.

De sculpturen van Arjanne van der Spek zijn het meest schilderachtig en poëtisch. Zonder duidelijke bedoelingen weet zij materialen van ongelijke soort tot een eenheid te smeden. Haar werk is niet vernieuwend of actueel, maar zorgvuldig afgewogen. Samen met Bernaar Leenders en Karen Oude Alink steekt het boven de middelmaat van deze lauwe tentoonstelling uit. Misschien wilden de juryleden het te veel met elkaar eens zijn terwille van de lieve vrede.