Nederlandse Kamerkoor waagt zich aan "onzingbaar' stuk; Kreneks botsende klankblokken

Het Nederlands Kamerkoor geeft op 4 en 5 april een uitvoering van de Lamentatio Jeremiae prophetae uit 1943 van Ernst Krenek (1900-1991). Dit ruim vijf kwartier durende koorwerk gold vele jaren als onzingbaar. Artistiek leider en dirigent Uwe Gronostay beschouwt het werk als een aanklacht tegen het nationaal-socialisme.

Lamentatio Jeremiae prophetae, 4/4 (20.15u) Wangzaal te Amsterdam, 5/4 (20.15u) Anton Philipszaal te Den Haag.

De sacristie van de oud-katholieke kerk in Den Haag is omgebouwd tot een opnamestudio. Een technicus werpt af en toe een geroutineerde blik op de uitslaande meters en een producent volgt de muziek in een partituur, waarin hij voortdurend kleine krabbeltjes zet. Een paar deuren verder, in de ruime akoestiek van de kerk, zingt het Nederlands Kamerkoor de Lamentatio Jeremiae prophetae van Ernst Krenek, gedirigeerd door artistiek leider Uwe Gronostay. Op een onverwacht crescendo van het koor slaat één van de geluidsmeters door naar de gevarenzone. De passage moet over en de producent maakt van de gelegenheid gebruik om kleine correcties te bespreken met Gronostay: de tenoren zijn onvoldoende te horen, niet alle inzetten zijn exact gelijk en op enkele plaatsen is de tekst onverstaanbaar.

Ernst Krenek, de Oostenrijks-Amerikaanse componist die eind vorig jaar op 91-jarige leeftijd overleed, schreef zijn Lamentatio tijdens de Tweede Wereldoorlog in Amerika, waar hij op de vlucht voor de nazi's sinds 1938 woonde. Het ruim vijf kwartier durende a-cappella koorwerk gold jarenlang als onzingbaar. Pas in 1957 durfde Marinus Voorberg met het NCRV Vocaal Ensemble voor het eerst een uitvoering aan. Nog steeds zijn er slechts enkele koren die de Lamentatio op hun programma hebben. Het Nederlands Kamerkoor zong het tien jaar geleden voor het laatst.

Voor zijn Lamentatio gebruikte Krenek moderne compositietechniek, maar op een manier die herinnert aan de koorwerken van renaissancecomponisten. Geregeld klinken flarden van het middeleeuwse gregoriaans, die steeds worden overrompeld door Kreneks eigen melodische invallen. De vier-stemmigheid wordt regelmatig opgesplitst in zes of acht stemmen en een magistraal negen-stemmig slot. Waardoor is dit koorwerk zo uitzonderlijk moeilijk?

Uwe Gronostay: “De pure twaalftonigheid à la Schönberg, gecombineerd met een polyfone schrijfwijze, maakt dat de zangers weinig houvast hebben aan de samenklanken, die steeds dissonant zijn. Bovendien noteerde Krenek geen maatstrepen, dus ook die steun moeten ze missen. Het werk is opgebouwd uit voortdurend op elkaar botsende klankblokken, waarbij de stemmen vaak dicht bij elkaar komen en soms ook over elkaar heen buitelen. De zangers zijn druk met het treffen van de juiste intervallen, maar mogen ondertussen geen moment de spanningsboog van hun eigen melodische lijn uit het oog verliezen. Ze moeten de tekst op een vanzelfsprekende manier voordragen, "mooi' blijven zingen èn de aanvallen van de andere stemmen afslaan.”

Om dit werk goed te kunnen zingen heb je, volgens Gronostay, ervaren koorzangers nodig. Die zijn niet gemakkelijk te vinden. Zangers worden in principe opgeleid tot solist, en de meeste solisten functioneren slecht in een ensemble. Gronostay: “Solisten zijn zo met zichzelf bezig, dat ze te weinig aandacht hebben voor hun omgeving. In de Negende van Beethovens lijken de solisten vaak om het hardst te schreeuwen, alsof ze het liefst de anderen volledig wegdrukken. Een goede ensemblezanger beschikt over een breder klankspectrum, moet stilistisch flexibel zijn en mag niet al te brutaal zijn eigen stem op de voorgrond plaatsen. Hij moet eigenlijk beter geschoold zijn dan een solist.”

In de tijd dat Krenek zijn klaagzang schreef, tussen 1941 en 1943, bevond de koorzang zich nog lang niet op het huidige niveau. De componist besefte dat het werk vrijwel onzingbaar was en Gronostay vraagt zich zelfs af of Krenek eigenlijk wel een uitvoering in gedachte had: “Krenek actualiseerde Jeremiah's klaagzangen. Wanneer het koor zingt "Jerusalem convertere', staat Jeruzalem als een symbool voor de wereld: wereld keer terug. De componist schreef met dit werk een felle aanklacht tegen het nationaal-socialisme. De muziek kent een zelfde soort absoluutheid als de Kunst der Fuge van Bach. Zijn verzet tegen de Nazi's uitte hij gevoelsmatig en rationeel: hij schreef schitterende muziek, maar gebruikte daarvoor een techniek die geheel wordt gestuurd door het intellect.”

Ter gelegenheid van Kreneks tachtigste verjaardag dirigeerde Gronostay in Berlijn in aanwezigheid van de componist een deel van het werk. Gronostay vroeg de componist of hij als dirigent eventueel maatstrepen mocht aanbrengen. Krenek vond het best, als hij ze maar niet hoorde en als de vloeiende stroom van de verschillende melodische lijnen er maar niet door werd verstoord.

Gronostay had ook een groot aantal dynamische accenten aangebracht, niet om het werk te "romantiseren', maar om de structuur zichtbaar te maken, de vorm als het ware te analyseren. Gronostay: “Een forte dient slechts als een spotlight op een belangrijk muzikaal moment.” Krenek had ook daartegen geen bezwaar. Zelf dacht hij dat alleen al de spanning in de samenklanken voldoende accenten gaf. Toch ging de componist akkoord met de ingrepen Gronostay. Krenek: “Als componist sta ik mijn werk af aan de musicus, die zijn eigen verantwoordelijkheid heeft voor de interpretatie.”