In Europa is kartelcultuur tot ondergang gedoemd

Kartels zijn verslavend. Dat blijkt uit het kleine drama dat schuil gaat achter het aanstaande vertrek van televisie-presentator Jos Brink bij de commerciële zender RTL4.

Brink, jarenlang de tophit van het televisie-amusement, zat blijkens een recent vraaggesprek in De Telegraaf vorig jaar al op de schopstoel bij de commerciële zender. Te veel kijkers schakelden naar een andere zender als hij in beeld kwam. Voor de RTL-bazen was dat aanleiding om zijn positie ter discussie te stellen. De presentator was verbijsterd. Telde zijn reputatie dan niet? Nee. “Bij RTL4 ben je net zo goed als de kijkcijfers van je laatste shows; dalen ze, dan kan je opstappen”, zegt hij. En met heimwee verhaalt hij van vroeger, toen er alleen nog publieke omroep was, toen de bedrijfstak televisie nog een veilig kartel vormde en het uitblijven van succes de gemoedelijkheid in de omroep-burelen geenszins verstoorde.

In het algemeen zijn de ontwikkelingen bij de omroep een goede illustratie van wat er gebeurt wanneer een kartel wordt ontmanteld of onder druk komt te staan. Veel bedrijven en bedrijfstakken staat dat, als gevolg van enkele dwingende internationale trends, nog te wachten. Inmiddels maakt staatssecretaris Van Rooy (economische zaken) eindelijk haast met een beleid dat de zwaarste kartelsoorten verbiedt. De vraag is of de meeste betrokkenen voldoende voorbereid zijn op die ontwikkelingen.

Bij de omroep ging het zoals het tot nu toe steeds met de ontmanteling van Nederlandse kartels is gegaan. Formeel heetten de zendgemachtigden geen kartel, maar in de praktijk ze waren het wel. De televisiemarkt was dichtgetimmerd; andere dan nationale omroepen hadden geen gelegenheid zich op de markt te manifesteren. En er leek geen vuiltje aan de lucht, want de overheid steunde het kartel als vanouds.

De omslag kwam toen in één der EG-lidstaten een intelligente onderneming opstond die met een beroep op het Europees recht toegang op de Nederlandse televisiemarkt afdwong. Luxemburg juichte, Hilversum was in paniek, Den Haag schrok - maar het was te laat. Het zal nog vaker te laat zijn, de komende jaren. Ook door de overheid toegestane kartels in de energiesector, de transportwereld, de telecommunicatie, de gezondheidszorg staan onder druk. Het kan nog even duren, Den Haag verzet zich kranig in Brussel, maar de kans is groot dat ze er allemaal aangaan.

De maatschappij wordt er onvermijdelijk harder door, competitiever. De vraag of dat wenselijk is doet er niet meer toe. Naar Europees recht zijn kartels verboden, ook nuttige kartels (want die bestaan) en het Nederlands recht zal zich aan dat verbod moeten aanpassen.

Veel nationale organisaties en bedrijven die erg lang de bescherming van een kartel hebben gekend, zijn daar niet op berekend. De Tros en Veronica schreeuwden jaren moord en brand omdat de overheid geen commerciële televisie toestond. Maar nu ze de kans hebben, blijken ze de vrije concurrentie niet aan te durven, want dat vergt het ontslag van hele radio-secties. Dan blijven ze liever samen met de andere omroepen onder de (nu nog) veilige, beschermende deken die dezelfde overheid de publieke omroep biedt.

Het resultaat laat zich raden. Steeds moeilijker zal het voormalige omroep-kartel de concurrentie met de (buitenlandse) commerciële zenders aan kunnen. Het toenemende succes van de "commerciëlen' zal de behoefte bij de overheid om de publieke omroep financieel steunen doen afnemen. Misschien zullen een paar omroepen de slag overleven. De rest sterft een roemloze dood.

Het is niet gezegd dat hiermee ook het voorland van de Gasunie, de Nederlandse Spoorwegen en de ziekenfondsen haarfijn is uitgetekend. De discussie over hun toekomst loopt nog. Maar ze doen er goed aan rekening te houden met de mogelijkheid dat ze zich ineens zullen moeten gedragen als ondernemingen op een vrije, onbeschermde markt. Net als al die andere gekartelleerde bedrijven en bedrijfjes, die er gezamenlijk voor zorgen dat er in Nederland nauwelijks markten zijn waar geen concurrentiebeperkende afspraken bestaan.

Want zijn het makelaars of patatbakkers, notarissen danwel bloemenverkopers, allemaal kennen ze hun eigen kartel. Het is een uiting van een cultuur, van de Nederlandse neiging zoveel mogelijk concurrerende belangen te verzoenen door een fijnmazig stelsel van commissies en raden. Iedereen doet er aan mee, ook organisaties die er principieel geen belang bij hebben.

Het beste voorbeeld daarvan is de Consumentenbond. Dat is de eerst aangewezen instantie om kartelvorming aan te pakken, want zoveel is zeker: consumenten worden in Nederland voortdurend op oneigenlijk hoge kosten gejaagd door de kartels. Toch beschikt de Consumentenbond niet over een uitgebreid apparaat om kartels op te sporen. De bond stopt zijn energie liever in overleg met branche-organisaties om "consumentvriendelijke' afspraken te maken. Dat daarmee kartelvorming in stand wordt gehouden, of zelfs bevorderd, beseft de bond, maar hij neemt het letterlijk op de koop toe.

De Voedingsbond FNV, naar Nederlandse begrippen toch een radicale organisatie, heeft een zelfde soort boter op het hoofd. In het bestuur van het Produktschap voor Zuivel gaat de bond er jaar in jaar uit mee akkoord de minimumprijs voor melk vast te stellen, waarmee een klassiek Nederlands kartel in stand wordt gehouden. De grootwinkelbedrijven, voorvechters van vrijere openingstijden, handelen al niet anders. Ze schoven keurig aan toen minister Andriessen kort na zijn aantreden op Economische Zaken alle betrokken partijen aan tafel noodde met maar één doel: een compromis bereiken over de verruiming van de openingstijden. Met als resultaat dat de supermarkt straks misschien tot half zeven open mag blijven.

De Nederlandse ziekenfondsen hebben de laatste maanden, anticiperend op de wens van staatssecretaris Simons om meer marktwerking in de gezondheidszorg te bewerkstelligen, die wens in de kiem gesmoord door massaal onderlinge afspraken te maken. Dat meldde althans Het Parool, dat beschikte over de notulen van daarover gehouden vergaderingen. De ziekenfondsen timmeren de markt blijkens die notulen op klassiek Nederlandse wijze dicht: ze zullen geen polissen in elkaars regio aanbieden. Zo is een nieuw kartel geboren. En straks, niemand weet precies wanneer, wordt het opgeblazen omdat een Duitse of Luxemburgse ziektekostenverzekeraar de Nederlandse markt ontdekt. Dan gaat het met de ziekenfondsen als met de omroepen. Op de korte termijn blijft alles bij het oude, het lijkt overzichtelijk, en het lijkt sociaal. Maar het is een ontkenning van de Europese werkelijkheid, die op de lange termijn des te harder zal aankomen.

Voorlopig blijft iedere zichzelf respecterende belangenvereniging deelnemen aan het nationale spel van ordening na overleg, van verplichte redelijkheid, uit weerzin tegen polarisatie, uit angst voor harde concurrentie. Het is een effect van de verregaande invloed van de christen-democratie op de Nederlandse samenleving.

Bijna een halve eeuw aanhoudend regeren heeft nu eenmaal zekere consequenties. Wat de anti-revolutionairen "soevereiniteit in eigen kring' noemden, wat de katholieken aanduidden met het beginsel van "subsidiariteit', ging later het streven naar "zelfregulering' heten: niet de overheid maar maatschappelijke organisaties, ook die van ondernemers, dienen te bepalen wat in hun domein geschiedt. Opdat samenwerking wordt bevorderd. En dus begint de Nederlandse ondernemer eerder een kartel dan een prijzenoorlog.

Die situatie wordt niet dramatisch beïnvloed als een staatssecretaris in Den Haag een paar kartelsoorten verbiedt. Het effect van wet- en regelgeving op de werkelijkheid is altijd beperkt, en zeker als nieuwe regels de strijd aanbinden met ingesleten gewoonten waarmee honderdduizenden Nederlandse ondernemers al decennia lang dagelijks werken.

Toch zal dat moeten. Want op de Europese markt bestaan nu eenmaal hardere omgangsvormen. Nederland zal eraan moeten wennen dat niet alle problemen via de stijlfiguur van overleg en compromis zijn op te lossen. In Europa gaat het er directer aan toe. Aan kartels als uiting van nationale compromis-drang wordt in Europa helemaal geen belang gehecht.

Deze harde Europese realiteit vergt een omslag van het denken, een cultuuromslag. En zoiets valt niet af te dwingen, hooguit te stimuleren - door het spreekwoordelijke goede voorbeeld te geven. De overheid en belangenorganisaties kunnen dat doen door terug te gaan naar de bron: politici zijn er om besluiten te nemen, belangenbehartigers om hun belang uit te venten, en niet om (mede-)verantwoordelijkheid voor overheidsbeleid te dragen. Het "primaat' moet terug naar "de politiek', heet dat in Den Haag.

Een enkele politicus begint er soms zelf over. Wöltgens bij voorbeeld, een paar jaar geleden. Maar ook hij zit nog altijd gevangen in het op christen-democratische grondslag gebaseerde model van afgeleide verantwoordelijkheden. Vorig jaar namen CDA en (vooral) PvdA grote electorale risico's met hun beleid ter bezuiniging op de WAO en de Ziektewet. Inmiddels zijn de bedoelingen van de coalitiepartijen op het punt van de Ziektewet in de CAO-onderhandelingen goeddeels onderuit gehaald - en Den Haag accepteert het. Alleen KNOV-voorzitter Kamminga hield een pleidooi voor een eenzijdige overheidsingreep. Principieel had hij het gelijk volkomen aan zijn zijde (feitelijk minder: ook zijn leden vullen het ziektegeld massaal tot honderd procent aan), maar zelfs zijn collega's van VNO en NCW durfden hem niet openlijk te steunen. Laat staan de coalitie.

Het geeft aan dat bij de Nederlandse overheid nog altijd weinig bereidheid bestaat "het primaat' te hernemen. Dat straalt af op het bedrijfsleven. Ook daar zal men niet gemakkelijk afstappen van de idee dat via overleg en onderlinge afspraken de markt in te delen valt. Het wordt nog een lastige overgang van Nederland kartelland naar Nederland als onderdeel van een vrije Europese markt.

Foto: De omslag in het dichtgetimmerde omroepbestel kwam toen RTL Véronique, later RTL4 geheten met een beroep op het Europees recht haar toegang afdwong tot de Nederlandse tv-markt (foto Bram Gebuys).