Honderden verdachten vrijuit bij hof Den Haag

DEN HAAG, 2 APRIL. Het gerechtshof in Den Haag heeft vorig jaar tussen de drie- en vierhonderd verdachten vrijuit moeten laten gaan omdat hun strafzaak in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn kon worden afgehandeld. Dat heeft een woordvoerster van het ministerie van justitie desgevraagd meegedeeld.

Het gaat volgens justitie om strafzaken waar geen slachtoffers bij zijn gevallen en waarbij in een groot aantal gevallen door de politierechter korte onvoorwaardelijke of voorwaardelijke celstraffen waren opgelegd. De verdachten hadden daartegen hoger beroep aangetekend.

Het Europees verdrag voor de rechten van de mens schrijft ons land bindend voor dat strafzaken “binnen een redelijke termijn” dienen te worden behandeld. De norm is ingegeven door het het gevoelen dat een verdachte in een strafzaak niet te lang in onzekerheid moet verkeren omtrent zijn lot. Het is niet altijd duidelijk wat precies onder een “redelijke termijn” moet worden verstaan - dat kan afhangen van de ingewikkeldheid van een zaak. In het geval van de honderden vrijlatingen door het Haagse gerechtshof vorig jaar was de vervolgingstermijn van twee jaar overschreden.

Vorig jaar zomer werden op één dag 45 verdachten in strafzaken door het Haagse gerechtshof buiten vervolging gesteld omdat het hoger beroep niet binnen de termijn van twee jaar had kunnen plaats hebben. Minister Hirsch Ballin (justitie) zegde toen aan de Kamer toe dat bij het Haagse gerechtshof drie extra raadsheren zouden komen terwijl gedurende de zomer extra strafzittingen plaats hadden om de achterstand weg te werken.

In de tweede helft van vorig jaar zijn 1.000 zaken extra behandeld waarbij ondermeer een beroep is gedaan op plaatsvervangend raadsheren. Het aantal arresten steeg van ruim tweeduizend in 1990 tot ruim drieduizend vorig jaar.

Volgens justitie zijn behalve deze maatregelen ook in de afgelopen maanden maatregelen genomen om de automatisering versneld door te voeren en hebben mensen in de top van het gerechtshof andersoortig werk gekregen, “vanwege een andere organisatiestuctuur en niet omdat zij schuldig zouden zijn aan de achterstanden”.

Het PvdA-Kamerlid Jurgens wil volgende week dinsdag van minister Hirsch Ballin opheldering over het wegzenden van de honderden verdachten. Volgens Jurgens wordt door deze handelwijze de indruk gewekt dat men bij het gerechtshof “de zaak niet erg in de hand heeft”.