Heffen op energie

Hoe duurder iets is, hoe minder we er in het algemeen van kopen.

Wil je dus dat mensen zuiniger met energie omgaan, dan moet je de prijs ervan verhogen. En niet zo'n beetje, want uit onderzoek blijkt dat ons energieverbruik niet zo erg prijsgevoelig is. Pas bij forse prijsverhogingen reageren we.

Verbranding van kolen, olie en aardgas brengt kooldioxide (CO2) in de atmosfeer. Te veel daarvan brengt de leefbaarheid van de aarde in gevaar. Dus zoeken overheden naar mogelijkheden om de kooldioxide-uitstoot te verkleinen. In dit verband heeft de Nederlandse regering laten onderzoeken wat de effecten zijn van het duurder maken van energie uit kolen, olie, aardgas (en kernenergie). Gekozen is voor twee alternatieven: een prijsverhoging van vijftig procent en een van honderd procent. Zo'n prijsverhoging die de bedoeling heeft het verbruik te beïnvloeden heet een regulerende heffing. Het is daarbij uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de overheid er financieel beter van wordt. De fiscus stuurt het ontvangen heffingsgeld dan ook weer terug naar de consumenten en producenten. Bijvoorbeeld in de vorm van verlaging van de arbeidskosten (loon- en inkomstenbelasting en premies voor de sociale verzekeringen). Op die manier gaan de kosten van energie omhoog en die van arbeid omlaag.

De vraag is vervolgens: hoe ziet na zo'n ingreep het energieverbruik in Nederland er uit over tien jaar en over 25 jaar? En vooral ook: hoe staat onze economie er bij tegen die tijd?

Dat hangt natuurlijk sterk af van de grootte van het gebied waarin je die prijsverhoging doorvoert. Iedereen kan op zijn vingers natellen dat Nederland zich uit de markt prijst als wij de enigen zouden zijn die de prijs van zoiets belangrijks als energie verdubbelen. Ja, maar er is toch ook die arbeid die tegelijkertijd goedkoper wordt. Werkt dat dan niet juist gunstig? Heft dat misschien het concurrentienadeel van duurdere energie op? En zo ja, hoeveel dan? En zo nee, waarom niet? Als je het allemaal zo precies wilt weten benoem je als regering een Commissie en die roept dan weer de hulp in van het Centraal Planbureau - het rekenbureau van de regering.

Het Planbureau is om te beginnen nagegaan hoe bij ongewijzigd beleid de wereldeconomie en de Nederlandse economie zich in de komende 25 jaar zullen ontwikkelen. Dat is voor zo'n lange duur op zich al een lastige zaak. Daarvoor moeten allerlei veronderstellingen worden gemaakt. Onder andere over de produktiegroei in de wereld en over het energieverbruik. Vervolgens zijn er drie verschillende varianten bekeken.

Ten eerste een algemene heffing op de al genoemde energiesoorten in alle OESO-landen. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling bestaat uit de EG-12, de VS, Canada, Japan, Oostenrijk, Zwitserland, Noorwegen, Zweden, Finland, IJsland, Turkije, Australië en Nieuw Zeeland. Een fors deel van de wereldeconomie.

Tweede variant: ook een algemene heffing op de genoemde energiesoorten, maar dan uitsluitend in Nederland. Ten derde: een heffing op alleen de kleinverbruikers in Nederland.

We beperken ons hier tot een verhoging van de tarieven met vijftig procent; de honderd procent heffing laten we rusten. In het eerste geval (het hele OESO-gebied) zien we hoe de industrie die veel energie verbruikt massaal wegtrekt uit de OESO-landen. In het begin gaat dat met wat vertraging, omdat de niet-OESO-wereld onvoldoende capaciteit heeft om al die bedrijven op te vangen. De aantasting van de produktiecapaciteit van de OESO-landen heeft tot gevolg dat de wereldhandel inzakt. Voor een open economie als de onze een minpunt. Ook de wereld-energieprijzen zakken, wat voor Nederland als aardgasverkoper hard aankomt.

Na ruim 25 jaar wordt er in de OESO-landen dertig procent minder energie verbruikt. En dan wordt bedoeld: minder dan het geval zou zijn bij ongewijzigd beleid. Maar van die dertig procent is 20 tot 25 procentpunten het gevolg van het afknijpen van de produktie. Tussen de vijf en de tien punten is het gevolg van echte besparing op energie.

In de tweede variant (alleen Nederland) trekken de energie-intensieve bedrijven snel uit ons land weg. Na 25 jaar is het energieverbruik in ons land met 36 procent verminderd. Daarvan is tussen de vijf en de tien punten het gevolg van echte besparingen. Op wereldschaal is de CO2-uitstoot nauwelijks gedaald; hij is verplaatst naar het buitenland.

De wereldhandel heeft geen schade en ook de wereld-energieprijzen blijven op peil. Dat zijn pluspunten. Een duidelijk minpunt is dat de bedrijven die niet zijn weggetrokken met hogere energiekosten zitten. Maar daar zou weer tegenover moeten staan dat ze lagere loonkosten hebben. De opbrengsten van de energieheffing zouden immers worden gebruikt om de arbeidskosten te verlagen. Helaas, die vlieger blijkt niet op te gaan. De sluiting van de meest energie-intensieve bedrijven heeft tot gevolg dat maar tweederde van de verwachte heffingsgelden bij de fiscus binnenkomt. Van een niet meer bestaande kip kun je immers geen veren plukken. De overheid komt in zulke problemen om haar huishoudboekje sluitend te houden, dat er van terugsluizen geen sprake kan zijn. Integendeel: de belastingen moeten worden verhoogd.

Tot slot de variant waarbij alleen kleinverbruikers in Nederland een heffing krijgen opgelegd. Er heeft dan geen massaal vertrek van produktie naar het buitenland plaats. Maar de vermindering van het energieverbruik is na 25 jaar niet meer dan drie procent. De heffing brengt zo'n 7,5 miljard gulden op, die netjes kan worden teruggesluisd. Arbeid wordt goedkoper, wat goed is voor de werkgelegenheid. Maar door de daling van de werkloosheid komt er een opwaartse druk op de lonen, waardoor de werkloosheid weer ongeveer op het oude niveau terugkeert. De effecten blijken klein. Terwijl wel het risico bestaat dat burgers en bedrijven danig schrikken van de opgelegde heffing. Dan kan er een loon-prijsspiraal op gang komen die de economie flinke schade toebrengt.

Geen van de varianten maakt een aantrekkelijke indruk. Je vraagt je af waarom niet een variant is onderzocht waarbij de energieprijs niet in één klap met vijftig procent of honderd procent stijgt, maar waarbij energie bijvoorbeeld de komende tien jaar elk jaar tien procent duurder wordt gemaakt. Bij zo'n geleidelijke aanpak is er tijd om produktie en consumptie minder energiehongerig te maken. De neiging om weg te trekken zal kleiner zijn. Of waarom niet een "normaal' verbruik vaststellen en pas daarboven forse heffingen opleggen? Minder terugsluis-rompslomp en een sterke prikkel om zuinig met energie om te gaan.