Grensgetal

Achtendertig, dat is mooi. Schoenmaat achtendertig - niet te groot, niet te klein. Confectiemaat achtendertig - maatje fotomodel. En achtendertig jaar, ach, dat is toch niet oud? Maar achtendertig is bijna negenendertig, en veertig is oud.

Een vriendin vertelde hoe zij bij het zien van een oorlogsreportage merkte dat haar jeugd definitief voorbij was. Er kwamen soldaten in voor, aardige jongens die een vrijwel zekere dood tegemoet gingen, en zij dacht bij zichzelf: stel je voor dat het je zoon was. Niet: je geliefde, je man, maar je zoon. En zij had er niet eens een.

Zoiets hoort bij de interne aanwijzingen, tekenen die desnoods nog geheim te houden zijn. Wat harder aankomt is door de buitenwereld op je nummer te worden gezet terwijl je zelf nog denkt dat je bij het andere kamp hoort. Het ”u', het alomtegenwoordige ”u' waarvan je jarenlang hebt gefoeterd dat het wel uitgestorven leek, nooit kreeg je het te horen. Nu krijg je het en je hóórt het, iedere keer. U begrijpt het mevrouw, dank-u-wel hoor, kijkt u maar, mag ik u iets vragen? Wat is dit, het verdwijnen van de jofelheid van de jaren zeventig? Niks ervan, het zijn de lijntjes op je gezicht. Het feit alleen al dat je over de jaren zeventig begint is veelzeggend. Menigeen die nu meetelt was nog een kind in die tijd.

De bijna onbedwingbare neiging om aan mensen te vragen hoe oud ze zijn. Wildvreemde dames in de trein: bent u nou vijftig, u met uw boodschappentas, of toch pas tweeënveertig? En u, u hebt zulke vrolijke schoenen aan, zit u boven of onder de grens? Hoe zien mensen er eigenlijk uit die net zo oud zijn als ik?

Lang haar, dat komt steeds minder voor. Misschien als iemand het altijd gehad heeft, en er de tijd voor over heeft om het bij te houden. Maar ineens besluiten van nu laat ik het groeien, wat vroeger zo'n alledaags idee was, nee. Tuinbroeken zijn ook uitgesloten. Niet dat er iemand bestaat die met zo'n ding wel mooi is, maar je had toch de enige kunnen zijn? Als je twintig jaar jonger was?

Luid zingen op straat, huppelen - onzinnige gedachte, dat dat niet meer zou kunnen als je veertig bent. Niemand zegt het trouwens. Alleen dat je het je heel even afvraagt, dat steekt.

Oud worden, in de zin van je jeugd kwijt zijn, is het onbetekenendste leed dat denkbaar is. Alles is erger, zelfs dik zijn, of kiespijn. Maar je moet er toch aan wennen. Iemand die ik ken, oud nu, vertelt dat hij nog weet hoe hij vroeger een zekere minachting voelde voor bejaarden. Bah, ouwe, eigen schuld, zei een stem diep in hem. Ik vermoed dat dat een heel natuurlijke, om niet te zeggen biologische opwelling is die veel mensen hebben, al zouden zij het nooit toegeven. Ik herinner mij mijn eigen arrogante ergernis over ouderen die klaagden dat zij veertig werden. En over mensen die zeurden over de schoonheid van de jeugd, de zachte huid, de gladde ledematen. Daar gaat het toch potverdorie niet om, dacht ik. Maar nu zie ik ze ook, die huid en die ledematen, met een weemoed die slechts wordt getemperd door de wetenschap dat ik nu dus meer moois zie dan toen ik jong was.

“De geur van het verleden verbindt overal het mooie met het verdrietige”, schrijft Mario Praz. Iets is mooi, het bestaat, dus is het kwetsbaar en vergankelijk. Praz schreef die zin onder de schaduw van de Tweede Wereldoorlog die zo veel moois had vernield. Er is waarschijnlijk van alles tegen in te brengen (gaat er van schoonheid niet ook een grote troostende werking uit?) maar ik begrijp wat hij bedoelt, nu.

Gratie, dat is waar het om gaat. Gratie in een betekenis die ruimer is dan wat uiterlijk bevredigt, die ook de goedgunstigheid van het Hogere omvat. Een andere denker over schoonheid, Ernst Gombrich, komt op het woord grace in een poging te omschrijven wat kunst tot kunst maakt. Maar het is ook het enige bruikbare recept voor de ouderdom. Je met gratie neerleggen bij wat niet meer kan, het beste maken van wat allemaal nog wel kan.

Waarom zou je? gillen de opstandigen. Je bent toch kwaad, doe dan geen concessies. Wees gerust een heks, een oud wijf, zegt Germaine Greer, het is nu of nooit, je hebt je al veel te lang geplooid naar je omgeving. Maar of je van dergelijk gedrag blijer wordt is zeer de vraag. Wij zien Germaine Greer zelf, haar eens zo wilde manen zijn smaakvol geknipt, zij draagt een zacht wollen pak, en we denken ja, jij hebt makkelijk praten, jij hebt je heksdom volbracht in een tijd toen je ook nog een mooie vrouw was. Kon je wel?

Bovendien is haar geringschatting voor degenen die zich er niet bij konden neerleggen grenzeloos. Simone de Beauvoir, petemoei van het hedendaags feminisme, die de spiegel ging haten toen haar spiegelbeeld er verlept begon uit te zien. Joan Collins, die hemel en aarde - en vooral veel chirurgenhanden - heeft bewogen om eeuwig achtendertig te blijven, zodat ook Jeroen Krabbé trots kan zijn samen met haar te worden gezien. Wat eigenlijk zo laakbaar is aan het hopeloze gevecht tegen de ouderdom wordt niet helemaal duidelijk. Of verwijten we tegenwoordig de verliezers hun nederlaag?

Natuurlijk doen we dat, het is een oud gebruik. Wie berust is een sukkel, wie blijft strijden een kluns. Tussen die twee gezellige mogelijkheden moet iedereen zijn eigen weg zoeken, met als enige zekerheid dat winnen uitgesloten is. Verliezen met gratie, dat is de ware kunst.