De juweel in Thatchers kroon schittert niet meer

In Groot-Brittannië worden vandaag over een week verkiezingen gehouden. De strijd spitst zich toe op zo'n honderd marginale districten, waarvan de uitslag uiteindelijk doorslaggevend zal zijn. Chester is een van die districten.

CHESTER, 2 APRIL. De constatering dat het regent is een understatement: het stort met bakken de hemel uit. Onder zijn immense rood-gele paraplu, met de rode roos in het gele veld, staat het gezicht van Labours Lagerhuiskandidaat David Robinson desondanks opgewekt. Zijn voeten soppen in zijn schoenen, maar hij heeft net gehoord dat het regionale televisienieuws een volle 25 seconden zijn gezicht heeft laten zien. Dat heeft de bebaarde schoolmeester te danken aan Glenys Kinnock, de fotogenieke echtgenote van Labourleider Neil Kinnock zelf, die die ochtend, net toen even de zon scheen, aan zijn zijde een rondwandeling door het stadshart van Chester heeft gemaakt.

Maar op dit moment is David Robinson in minder glorieuze omstandigheden aan zijn toekomst aan het werken. Vooraf gegaan door een tiental canvassers, allemaal jonge mannen en vrouwen, sopt hij in het vallend duister zijn weg door een woonwijk buiten de muren van de oude stad. Hier wisselen straten van vervallen middenstandshuizen en pronte, voormalige gemeentewoningen elkaar af. In de vervallen panden huist een vlottende bevolking van studenten aan het College voor Hogere Beroepsopleiding in Chester. In de voormalige gemeentewoningen, klein tuintje voor en tot vrij kort geleden het toilet op het plaatsje achter, wonen merendeels oude mensen. Dit zijn de groepen die de Labourkandidaat persoonlijk wil aanspreken, in de hoop dat ze op 9 april op hem zullen stemmen.

Chester is, net als het hele noordwesten van Engeland, bij de verkiezingen van 1987 opgeschoven naar links. Het bleef, als altijd in het verleden, een Conservatieve zetel, maar Labour wist de voorsprong van de Tories te halveren. Mevrouw Thatcher, toen nog premier, noemde de stad bij een bezoek “mijn juweel in de kroon in noord-west Engeland”. Maar Thatcher is weg en het juweel wankelt in de kroon. De kiezers van Chester horen daarmee tot de paar honderdduizend Engelsen, in Londen en zuid-oost Engeland, in de Midlands en in noord-west Engeland, die straks de doorslag gaan geven bij de vraag of John Major een vierde achtereenvolgende overwinning voor de Conservatieven binnen kan slepen. Chester, met zijn voorsprong van 4500 stemmen voor de Tories (die 44,9 procent van de stemmen hebben tegenover Labour 35,6 procent), is één van de circa honderd cruciale "marginale' zetels die Labour moet binnenhalen, wil het in het volgende Lagerhuis de meerderheid hebben.

De Tories hebben in Chester een nieuwe kandidaat, nu het voormalige parlementslid Sir Peter Morrison zich heeft teruggetrokken in lucratieve zakelijke beslommeringen. Hij heet Giles Brandreth, hij klinkt als een kinderlijke versie van Adriaan van Dis en hij is bekend van de televisie, waar hij een humoristisch programma deed in telkens weer een andere, opzichtige wollen trui. Giles Brandreth was de eigenaar van een keten van wolwinkels en beroemt zich dus op ervaring als kleine ondernemer.

Met hem is "canvassen' iets heel anders dan met David Robinson. Vooraf gegaan door één mevrouw die aanbelt en gevolgd door één meneer met posters ("Vote Conservative') die de hekken achter hem sluit, holt de MP-in-spe door het landelijke Alford, een dorpje onder de rook van Chester, om daar de Conservatieve stemmen te consolideren. Op de terugweg naar Chester doet hij nog een school, een bushalte en een postkantoor aan en charmeert daar de dames. “Halloooo!” hoeft hij alleen maar te zeggen en de dames vallen blozend in. “Oooo! Van de televisie! Wat raar om u in levende lijve te zien!” Brandreths vaste tekst is dan: “Maar hoe aangenaam om ú in levende lijve te zien. Hier is mijn kaart (met foto) en denk eraan, als er problemen zijn, ik woon midden in Chester, dus kom me opzoeken”. Zelfs mijn oliedomme taxi-chauffeur valt bijna in katzwijm als hij Brandreth herkent. “Good man!” zegt de kandidaat prijzend over dit eerbetoon en duwt door het geopende raampje zijn foto naar binnen, “hij weet dat ik particulier ondernemerschap bewonder.”

Brandreth, anders dan Robinson, vraagt de mensen niet om op hem te stemmen. “Dat zie ik niet als mijn taak, daar zijn de canvassers voor.” Hij waarschuwt kiezers wel dat het dit keer “een spannende race” zal worden, maar speelt verder het spel van de kandidaat die niet wil horen van mogelijk verlies. “Juist de Conservatieven zullen en masse naar de stembus komen en de Liberale Democraten (derde partij in Chester) zullen allemaal op ons, en niet op Labour stemmen omdat ze de stijl van Major zo waarderen.” De persoon van Neil Kinnock is zijn machtigste wapen: “De man heeft geen inhoud, hij heeft internationaal geen enkele standing en hij weet niet hoe hij de Britse belangen in Europa moet verdedigen.”

Maar hoe nerveus de Tories over Chester zijn, mag blijken uit het feit dat Brandreth Douglas Hurd en Michael Heseltine al aan zijn zijde heeft gehad. Een dag na mijn vertrek zag ik hem op de televisie stralen naast John Major zelf, die in Chester zijn nieuwe speeltje, de zeepkist, met groot zelfvertrouwen demonstreerde. Nog is Chester voor de Tories "thuis' en massaal gehekel van politieke tegenstanders, als eerder in Bolton, bleef in Chester uit.

Chester was een welvarende stad: het aantal bezitters van een eigen huis en van een eigen auto ligt hoger dan het landelijk gemiddelde, kinderen gaan hier minder snel dan elders met 16 jaar van school af. De gevolgen van de recessie zijn, als bijna in elke stad in Engeland, zichtbaar in de winkelstraten. Veel panden zijn te huur, vrijwel overal is uitverkoop. Negen op de tien banen in Chester zitten in de dienstverlenende sector: winkels, kantoren en financiële instellingen. De petrochemische industrie in Ellesmere Port is een grote werkgever en British Aerospace, net over de grens met Wales (grotere regionale subsidies) betrekt een kleine duizend werknemers uit Chester. Maar de werkloosheid is ook hier hoog (13,5 tegenover 10,2 procent landelijk) en dan moet de opheffing van het Cheshire Regiment (te fuseren met de Staffordshires) nog komen.

Meer dan honderd gezinnen zijn in Chester door de gemeente ondergebracht in "bed and breakfast'-accommodatie, omdat er niet voldoende huizen zijn, 5800 kandidaten staan op de wachtlijst voor (goedkope) huisvesting. Toen de regering-Thatcher het bewoners mogelijk maakte hun gemeentewoningen te kopen, verplichtte ze de plaatselijke overheden de inkomsten uit de verkoop apart te houden en niet opnieuw te gebruiken voor woningbouw of woningherstel. Het bestand aan woningwet-huurwoningen is daardoor in Chester met ruim 2000 teruggelopen tot minder dan 8000. Voormalige huurders, die in de jaren tachtig met een hypotheek tegen lage rente eigenaar van hun woning werden, worden op dit moment in aantallen van tenminste twee per week uit hun huis gezet, omdat ze niet eens de rente op de hypotheek kunnen betalen. “Ze smeken ons om terug te mogen naar huren, maar huurwoningen hebben we ook niet,” zegt David Robinson, die tevens raadslid van Chester is.

In de studentenbuurt trekt het tiental canvassers voor de Labour-kandidaat alleen dáár aan de bel, waar volgens het register mensen zich hebben laten registreren als stemgerechtigd. Aan het eind van deze week begint de paasvakantie en Labours vermoeden is, dat de Tories de verkiezingsdatum niet voor niets midden in die vakantie hebben laten vallen. Robinsons team is daarom al eerder met volmachtformulieren rondgegaan, om er zeker van te zijn dat een maximum aantal jonge kiezers zijn stem zal uitbrengen. Het is aan hen dat het nieuwe, gestroomlijnde Labour hoopt te appelleren.

“Ben je dan een true blue - een rasechte Tory?” probeert Robinson diegenen uit hun tent te lokken die op de vraag “Kunnen we rekenen op je stem?” antwoorden, dat ze “nog niet hebben besloten”. Die tactiek werkt meestal: de aarzelende kiezer bekent dat de Liberale Democraten, met hun prioriteit voor investering in onderwijs, hem/haar wel aantrekken.

“Ah,” zegt Robinson dan begrijpend, “maar die zijn in Chester nog nooit verder dan de derde plaats gekomen. Als je echt de Tories buiten de deur wilt houden, moet je hier op Labour stemmen.” Labour, zegt hij, zal de studiebeurs (nu een verplichte studielening) terugbrengen. “En ik begrijp jullie bezorgdheid over onderwijs, ik ben zelf leraar.” En als dan het onderwerp proportionele vertegenwoordiging, de prioriteit van de Liberale Democraten, nog aan de orde komt: “Ik ben zelf binnen de Labour Party een van de voorstanders van verandering van het kiesstelsel”. Dat argument doet letterlijk de deur dicht.

In de straat met voormalige gemeentewoningen, keurig onderhouden, narcissen naast de voordeur en kunstige buitenlantarens aan het hek, lijken de bejaarde bewoners al allemaal op de hoogte van het feit dat Labour een verhoging van de pensioenen (acht pond per week voor een echtpaar) heeft beloofd. Een voormalige vakbondsvertegenwoordiger vertelt hoe Giles Brandreth ook al aan de deur is geweest. Hij heeft “that lot”, die “alles in dit land hebben verpest”, scheldend heengezonden. “Mind you” erkent hij ruiterlijk, “niet dat wij het in 1979 (de zogenaamde "winter of discontent' waarin de bonden het land plat legden) nu zo handig hebben gespeeld. De topjongens bij ons probeerden toen ook hun eigen zakken te spekken en wij, de onderliggers, hun eigen mensen, werden daarvan net zo goed het slachtoffer. Dat ging óók te ver.”

Een paar huizen verder trekt een mevrouw nadrukkelijk de gordijnen dicht, wanneer ze de Labourcaravaan ziet naderen. Terwijl Robinson met haar buurvrouw praat, doet ze de voordeur op een kier open en roept schel: “Nóóit zal ik Labour stemmen. Die leider van jullie is beláchelijk!” De deur gaat met een klap weer dicht. “Die heeft haar leven lang al liberaal gestemd”, zegt één van de canvassers, de man met de lijst, schouderophalend. Hij zet een kruisje achter nummer 42, waar iemand die zijn leven lang Tory heeft gestemd nu luid staat te betuigen dat zijn stem dit keer naar Labour gaat. De Tories, zegt hij, hebben hem eerst aangemoedigd een eigen bedrijf te beginnen en nu is hij, door hun toedoen, failliet gegaan.

Het is precies het soort verhaal waarmee Labour propaganda maakt en “de Nederlandse journalist die vanavond bij ons is” wordt dan ook in triomf meegevoerd om het aan te horen. Maar bij navraag blijkt het faillissement van zeven jaar geleden te dateren, in een periode dat de economie groeide. Dat maakt de klaagzang suspect. Het kruisje achter de naam blijft desondanks staan. Deze mijnheer, zijn echtgenote en zijn inwonende zuster, zullen op 9 april allemaal opgebeld en desnoods bezocht worden door een Labour-sympathisant, die ze vraagt of ze nog steeds Labour gaan stemmen en die ze eventueel naar de stembus vervoert. De andere partijen doen iets dergelijks.

“Ik zal erg teleurgesteld zijn als ik niet win”, zegt David Robinson eerlijk. Het is zijn tweede gooi naar de zetel van de City of Chester en hij heeft dertien jaar lang naar dit moment toegewerkt. “Nog afgezien van wat er met de partij gebeurt, als we het dit keer niet maken. Maar ik moet je zeggen: de vorige keer zei ik dat we gingen winnen terijl ik er eigenlijk zelf niet in geloofde. Dit keer is het anders. Dit keer hebben we eindelijk echt een kans.”

Foto: De verkiezingscampagne brengt mevrouw Glenys Kinnock (midden), hier samen met Labourkandidaat Glenda Jackson (links), overal in het land. (Foto AP)