De erfenis van generaal de Gaulle

Onder de omstandigheden van destijds is de beslissing van generaal de Gaulle om Frankrijks strijdkrachten uit de militaire samenwerking van de NAVO terug te trekken wellicht het beste geweest wat het Atlantische bondgenootschap en de Europese Gemeenschap is overkomen.

Het was in het jaar 1966 dat de Franse president de consequenties trok uit zijn weigering van vier jaar eerder om in te gaan op een aanbod van president Kennedy tot samenwerking op nucleair-strategisch gebied. De Gaulle had een directoraat-op-voet-van-gelijkheid van Atlantische atoommogendheden gewild, maar de Amerikanen wensten hun leiderschap niet op te geven. De Britten accepteerden het dictaat van Washington - voor de Gaulle een extra reden Britse toelating tot de Gemeenschap te blokkeren.

De Franse beslissing van 1966 onttrok niet alleen alle Franse conventionele strijdkrachten aan de gezamenlijke verdediging van West-Europa, maar verzekerde bovendien de soevereiniteit van Frankrijks nucleaire arm. De keerzijde van die medaille was dat de bondgenoten geen verantwoordelijkheid kon worden aangewreven voor de nucleaire strategie van deze eigenzinnige partner. Wat er ook later aan praktische samenwerking tussen NAVO en Frankrijk is verwezenlijkt, de "bom' bleef een eigen Frans bezit waar verder niemand op kon worden aangesproken.

In de plannen voor een Europese verdediging wordt met deze Franse complicatie geen rekening gehouden. Weliswaar heeft Mitterrand er onlangs op gewezen dat het vraagstuk van de nucleaire component van die gezamenlijke defensie eens ter discussie moet worden gesteld, maar dat betekende niet dat de president de Franse atoommacht al in de aanbieding deed. Dat zou waarschijnlijk ook niet mogelijk zijn zonder grondwetswijziging. In de praktijk richt de Europese aandacht zich op het ontwerpen van plannen voor de vorming van multinationale legerkorpsen die vervolgens zowel voor Atlantische als voor Europese taken moeten kunnen worden ingezet. Het Franse atoomzwaard blijft buiten beschouwing.

In Europa is het tot de goede smaak gaan behoren om niet of slechts zijdelings over kernwapens te spreken. Er is bijvoorbeeld het probleem van het uiteenvallen van de nucleaire strijdkrachten van de vroegere Sovjet-Unie, inbegrepen de proliferatie van die wapens en van de geleerden die ze ontwierpen naar landen die de nucleaire status willen verwerven. De oplossing voor dit vraagstuk wordt gezocht in concentratie van wapens en deskundigen in het nieuwe Rusland waar de bouwers zullen moeten worden omgeschoold tot slopers. Bij de financiering hiervan, zo wordt erkend, is steun van het Westen onontbeerlijk.

Om eventuele toekomstige bedreigingen uit de Europese periferie met raketten, chemische en nucleaire wapens het hoofd te bieden wordt verder gehoopt op vervolmaking van een afweersysteem tegen ballistische raketten zoals dat in de Golfoorlog beperkt en met wisselend succes is gebruikt in Israel en Saoedi-Arabië. Maar er is geen sprake van het ontwikkelen van een deterrent, een afschrikwekkende macht die is gebaseerd op het leerstuk oog om oog, tand om tand. De dreiging met wederzijds verzekerde vernietiging was weliswaar jarenlang een functioneel onderdeel van het machtsevenwicht tussen Washington en Moskou, maar een Saddam Hussein op die manier tot zelfbeheersing te bewegen is een andere kwestie. De meeste Europese landen zijn er mentaal niet aan toe om in dergelijke termen over hun eigen veiligheid te filosoferen.

Met uitzondering dan van Frankrijk. De bijzondere plaats die Frankrijk inneemt, blijkt bijvoorbeeld wanneer het land op het atol Mururoa in Frans Polynesië een nucleaire explosie tot stand brengt of voornemens is dat te doen. Op 26 maart werd een maritieme protestbetoging in dat gebied aan boord van Greenpeace's Rainbow Warrier II (men herinnert zich het lot van de voorganger van dit schip in 1985) onderbroken door de Franse marine. De Greenpeace-bemanning en haar gasten hadden op het atol het einde van de Koude Oorlog willen vieren en hadden er willen oproepen tot een algemene en volledige nucleaire ontwapening. De Fransen onder hen werden in handen gesteld van de justitie, de buitenlanders zijn uitgewezen.

In een commentaar wijst het Franse dagblad Le Monde erop dat er voldoende redenen blijven voor proeven op Mururoa. Amerikanen en Russen gaan immers door met proefnemingen of bereiden zich erop voor dat te doen. Eveneens op 26 maart brachten de Amerikanen, voor het eerst in aanwezigheid van een Russische delegatie, een atoomexplosie tot stand in de woestijn van Nevada. Rusland handhaaft een moratorium van een jaar maar president Jeltsin heeft Nova Zembla toch willen behouden als proefstation. Kazachstan heeft Moskou het verdere gebruik van Semipalatinsk geweigerd. De middelen tot "minimale afschrikking' van een vijand die Jeltsin voor Rusland wil behouden, behoeft Frankrijk zich niet te ontzeggen, concludeert Le Monde met zoveel woorden.

Het blad noemt in één adem het behoud van Frankrijks nucleaire macht en het gevaar van een eventuele dreiging van de kant van derde landen die de beschikking krijgen over kernwapens en ballistische raketten. Wie nucleaire strijdkrachten wil handhaven, is de redenering, zal ook proeven moeten nemen. Wel heeft Frankrijk inmiddels het jaarlijkse aantal explosies gehalveerd tot zes. En bovendien zijn de tegenwoordige oorlogskoppen als gevolg van de experimenten minder "vuil' (zij veroorzaken minder radio-actieve neerslag) en zij hebben een grotere nauwkeurigheid dan hun voorgangers.

Vanzelfsprekend is een dagbladcommentaar niet hetzelfde als een regeringsverklaring. Maar hier wordt toch op een mogelijk nieuwe taak voor het Franse atoomarsenaal gewezen: waar de Atlantische partners ten behoeve van de afweer van toekomstige gevaren denken aan zuiver defensieve maatregelen, daar wekken de Fransen de indruk dat zij aan het dreigen met represaille de voorkeur geven. Van de redenering dat die strategie in de Koude oorlog misschien zinnig was, maar in confrontraties met labielere tegenstanders dan de opeenvolgende heersers in het Kremlin bezwaren oproept, zijn de Fransen kennelijk weinig onder de indruk.

De machtsverhoudingen in de Europees-Atlantische wereld zijn onoverzichtelijk en risico's laten zich nauwelijks benoemen. Maar de ontwikkeling van een Europese veiligheids- en verdedigingspolitiek stuit om te beginnen al op een opvallend onderscheid in de strategische analyse en de conclusies die daaruit worden getrokken. De Fransen zijn er aan gewend een soevereine nucleaire mogendheid te zijn met alle consequenties van dien. Dat kan van de rest van Europa niet worden gezegd. Dank zij de Gaulle, wellicht.