Darwin

Onder verwijzing naar de gezaghebbende wijsgeer Popper en diens aan Pascal ontleende falsificatiebeginsel probeert ir. Z.S. Doetjes (NRC Hbd 21 maart) de indruk te vestigen dat het met de evolutietheorie niet zo best gesteld is. Een theorie moet falsifieerbaar zijn om een zekere wetenschappelijke status te verdienen. De evolutietheorie zou niet aan deze eis voldoen, met alle gevolgen van dien.

Men kan evenwel zonder aarzeling stellen dat Darwins theorie ten tijde van de introductie (1859) op velerlei wijze gefalsifieerd kon worden, zodat het tenminste in die tijd een valide theorie met een hoge wetenschappelijke status was. Men had na 1859 een erfelijkheidsleer kunnen ontdekken die de door Darwin geponeerde veranderingen onmogelijk gemaakt had. Men vond evenwel genetische mechanismen die evolutionaire veranderingen juist zeer goed mogelijk maken. De biochemie had de evolutietheorie als absurd kunnen ontmaskeren, maar dat gebeurde bepaald niet. Men had in fossiele afzettingen "plaatjes' van het verleden kunnen vinden (dat kan in principe nog) die de evolutietheorie onhoudbaar hadden gemaakt, maar het tegendeel vond tot nu toe plaats. Naarmate het aantal mogelijkheden tot falsificatie, door steeds maar weer verificaties, minder en minder werd, daalde dus de wetenschappelijke waarde van de evolutietheorie tot het bedenkelijke niveau van nu? Zou Popper dat bedoeld hebben?