Bedrog in de wetenschap

Dat Amerikaanse onderzoekers regelmatig een loopje nemen met de waarheid is voor de lezer van wetenschappelijke tijdschriften als Science en Nature geen nieuws. De afgelopen tien jaar zijn in deze bladen diverse artikelen verschenen over bedrog in uiteenlopende vakgebieden als paleontologie, medicijnen, biochemie en psychologie.

Over de omvang van het bedrog was tot nu toe weinig te zeggen. De American Association for the Advancement of Sciences (AAAS) heeft nu in haar tijdschrift Science (27 maart) de uitkomsten gepubliceerd van een omvangrijke enquête onder 1500 van haar leden. Van de in totaal 469 respondenten meenden er 124 (27%) dat zij de afgelopen tien jaar onderzoek waren tegengekomen waarvan de experimentele gegevens verzonnen of vervalst waren of door plagiaat verkregen. Elke respondent meldde gemiddeld 2,5 veronderstelde overtredingen van de ethische gedragscode onder wetenschappers.

Onderzoekster Kathleen Markey wijst erop dat 73% van de respondenten geen enkel geval kon noemen, en dat verder verondersteld mag worden dat wetenschappers die op de hoogte zijn van fraude en bedrog eerder geneigd zullen zijn gweest om hun enquête-formulier terug te sturen.

Over de werkelijke omvang van het onethische gedrag aan de Amerikaanse universiteiten en in bedrijfslaboratoria geeft deze enquête dus nog steeds weinig uitsluitsel. Eén respondent zei dat veel gevallen liggen in het ””grijze gebied tussen ondubbelzinnig goede wetenschap en onmiskenbare fraude'' en dat de frequentie van fraude daardoor onderschat kan worden. ””Men kan nooit zeker weten of deze gevallen te wijten zijn aan naïviteit of onwetendheid (...) maar feit is wel dat deze onwetendheid regelmatig zeer gelegen komt.''

Een grote meerderheid van de respondenten (74%) denkt echter dat de overdreven aandacht die de media besteden aan frauderende wetenschappers juist tot overschatting van de omvang van het probleem heeft geleid.

Markey heeft de wetenschappers ook gevraagd of zij de indruk hebben dat het bedrog in de Verenigde Staten de afgelopen tien jaar is toegenomen. Zo'n 37% denkt dat dit inderdaad zo is, terwijl 44% denkt dat het voor die tijd even goed of slecht gesteld was met de wetenschappelijke zuiverheid. Slechts 2% denkt dat het probleem is afgenomen.

Ook de handelwijze na vermoedens van fraude bij collega's heeft Markey onderzocht. Ongeveer 37% van de respondenten heeft de verdachte collega uitgenodigd voor een gesprek onder vier ogen en 23% is zelf de gegevens gaan controleren.

Slechts 27 van de 124 argwanende wetenschappers meldden dat hun optreden had geleid tot een bekentenis of het daadwerkelijk vaststellen van de schuld van de onderzoeker in kwestie. Daarnaast zeiden 25 respondenten dat de verdachte onderzoeker de instelling spoedig had verlaten, de schuld daarbij in het midden latend. Meer dan de helft (63 respondenten) van degenen die een bepaald onderzoek niet vertrouwden, zei echter dat zij die verdenkingen nooit hebben uitgesproken of dat zij de zaak niet tot op de bodem hebben uitgezocht.

In de meeste gevallen legden de respondenten hun verdenkingen voor aan een collega of een mede-beoordelaar van een publikatie. Slechts in 20% van de gevallen stapten ze naar hun baas toe of naar de autoriteiten binnen het instituut. Volgens meer dan de helft (54%) van de respondenten zijn universiteiten namelijk veel te laks in het onderzoeken van fraude-gevallen.

Science vermeldt niet in welke vakgebieden bedrog het meeste voorkomt. Wel somt het blad de oorzaken op die volgens de respondenten ten grondslag zouden liggen aan het laakbare gedrag van wetenschappers. De drie meest genoemde zijn de ”rat race' om als eerste een bepaald resultaat te publiceren, het Amerikaanse systeem van beoordeling van wetenschappelijke prestaties aan de hand van het aantal publikaties en de felle competitie om onderzoeksgelden binnen te slepen.

Nederland

Hoe vaak fraude in Nederland voorkomt is onbekend. De schriftelijke enquête die ik onlangs heb gehouden onder enkele honderden hoogleraren en leden van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen heeft te weinig respons opgeleverd om algemene uitspraken te kunnen doen. Slechts 23 van de 89 respondenten noemden voorbeelden van manipulatie van gegevens of plagiaat. Enkelen meldden gevallen die al uitgebreid aandacht hebben gekregen in de pers, zoals dat van de sociale wetenschapper dr. J. Kingma, die in 1989 naast een universitair docentschap greep toen duidelijk werd dat hij een artikel van een collega voor een groot deel had overgenomen zonder bronvermelding. Zeer bekend onder historici is het plagiaat van de Leidse historicus H. Colenbrander, die in 1933 in De Gids een artikel schreef over Willem van Oranje, dat hij grotendeels bleek te hebben overgeschreven van de Belgische historicus H. Pirenne.

Diverse respondenten beschreven hoe de Utrechtse scheikundige Fritz Kögl aan het eind van de jaren dertig is bedrogen door zijn assistente H. Erxleben. Utrechtse onderzoekers hebben na de oorlog bij herhaling geprobeerd Kögls opzienbarende resultaten op het gebied van plantaardige groeihormonen te reproduceren. Pas in de jaren zestig kon met behulp van massaspectrometrie worden aangetoond dat de door Erxleben geprepareerde produkten niet de beweerde samenstelling hadden.

De respondenten noemden ook gevallen van promovendi die recent de zaak hebben geflest. Een doctor in de geneeskunde moest een deel van zijn proefschrift herschrijven toen bleek dat hij had geplagieerd. Een dierfysioloog heeft een uit het Engels vertaald artikel zonder bronvermelding opgenomen in zijn proefschrift; de bioloog die het later ontdekte heeft er nooit ruchtbaarheid aan gegeven. Een assistent in opleiding in de chemie die experimentele gegevens had veranderd, heeft na een bekentenis tegenover zijn hoogleraar uit zichzelf ontslag genomen. Een aio bij geneeskunde zag zijn arbeidscontract niet verlengd toen hij zijn experiment alleen onder verdachte omstandigheden bleek te kunnen reproduceren.

Eén hoogleraar vroeg zich naar aanleiding van deze frauderende promovendi af of het aio-stelsel wellicht bedrog in de hand werkt. ””Niet iedereen heeft het juiste karakter om onderzoeker te worden. Als bedrog onder aio's werkelijk regelmatig voorkomt moeten we in de toekomst behalve op hersens ook op karakter gaan selecteren.''

Diverse respondenten stelden dat de term ”bedrog' getuigt van een te simplistische kijk op het voortgangsproces in de wetenschap. Het is volgens hen heel gebruikelijk en acceptabel om claims te publiceren die niet geheel in overeenstemming zijn met de experimentele feiten. ”Datamassage', het buiten beschouwing laten van gegevens die niet in de theorie passen, zou zeer veel voorkomen. Maar ook deze respondenten erkennen dat een onderzoeker dan wel goed moet weten wat hij weggooit om niet het risico te lopen als bedrieger de geschiedenis in te gaan.

Oproep

Voor een diepgravender artikel over hetzelfde onderwerp roep ik lezers van W&O op de volgende vragen te beantwoorden:

Hoeveel gevallen van bedrog of plagiaat door Nederlandse wetenschappers vermoedt of kent u? Geef een korte omschrijving (aard, plaats, vakgebied, betrokkenen, jaar) ervan.

Wat heeft u gedaan om uw vermoeden te toetsen. Hoe is het bedrog aan het licht gekomen? Wat was het resultaat?

Wat is uw functie?

Als u dit mondeling (desgevraagd anoniem) wilt toelichten, geeft u mij dan uw naam en adres.

Brief sturen naar: Frank van Kolfschooten, Postbus 75956, 1070 AZ Amsterdam.