Arabische generatiekloof

Cheb. Amsterdam, Rialto; Nijmegen, Cinemariënburg; Arnhem, Filmhuis.

Een van de publiekssuccessen van het afgelopen Film Festival Rotterdam was Cheb van de Fransman Rachid Bouchareb. Dat is niet verwonderlijk, want deze film brengt met grote vegen een stel hedendaagse, wanhopig onoplosbaar lijkende misstanden te zamen in een keurig gesponnen web. Een oplossing biedt Cheb niet, maar overzichtelijk maakt hij alles wel en dat helpt de gemiddelde krantelezer, die nooit verder komt dan zich zorgen te maken, aan gemoedsrust.

"Cheb' is Arabisch voor "jong' en wat voor diepgaande culturele en maatschappelijke kritiek Cheb ook levert, in de eerste plaats gaat de film over twee net volwassen mensen en hun geworstel met het eeuwige conflict van de jeugd: de generatiekloof. Doordat ze als Franse kinderen zijn geboren uit Algerijnse ouders, is die kloof des te helderder. De jongen Merwan is in conflict met de Franse autoriteiten, zijn vriendin Malika met haar vader.

Merwan wordt uit Frankrijk uitgewezen nadat hij als recidivist is veroordeeld voor diefstal. In Algerije moet hij meteen het leger in. Hij spreekt de taal niet, begrijpt niets van zeden en gewoonten en kan zich allerminst aanpassen aan de manier waarop mannen geacht worden zich te gedragen. Zonder papieren loopt hij weg.

In het geboortedorp van hun ouders treft hij zijn vriendin Malika - opgesloten in afwachting van het huwelijk dat haar vader voor haar heeft geregeld. Samen vluchten ze. Hun kansen zijn klein want ze zijn veel te Frans en te jong en te onhandig om zich enig, hun identiteit beschermend, benul te verwerven van het land waar ze zich in bewegen. Slechts een van hen zal erin slagen terug te keren naar Frankrijk - tegen een absurde prijs.

Rachid Bouchareb is er veel aan gelegen geweest om in Cheb ongeveer alle problemen van de Arabische immigrant in Frankrijk samen te vatten: de tweede generatie, de dubbele identiteit, de functie van de hypocrisie in een Islamitische samenleving, de positie van de vrouw, het Franse uitwijzingsbeleid, dat en nog meer komt aan de orde.

Juist Boucharibs integriteit veroorzaakt dat zijn film een onwaarachtig beeld schept. Zolang Cheb zich beperkt tot de ervaringen van de jongen gaat het goed. Mooi weerspiegelen de onbarmhartige beelden van de rotsige Algerijnse vlakte waar hij wordt gelegerd zijn plotseling harde bestaan, zonder café, zonder copains, zonder disco, zonder een kleine luxe als elektrisch licht. Maar juist wanneer we hunkeren naar een groter inzicht in deze kleine crimineel die ons sympathiek aan het worden is, moet Boucharib verder en belanden we met de jongen bij zijn meisje. Over haar komen we helemaal niets te weten, want er moet nog zoveel betoogd worden, en bovendien ligt er ook nog een vracht verhaalverloop te wachten.

Anderhalf uur biedt eenvoudig te weinig tijd voor alles wat Boucharib kwijt wil. Dat was stof geweest voor een speelfilm of vijf.