Amerikaans onderwijs goed, maar ouders falen

Kinderen uit families van Vietnamese bootvluchtelingen doen het op Amerikaanse scholen uitzonderlijk goed. Met name in de exacte vakken steken ze met kop en schouders boven hun Amerikaanse mede-leerlingen uit. Wordt het vak wiskunde apart bekeken, dan zijn de resultaten nog spectaculairder.

Dat het hier niet om een kleine groep bollebozen maar om een belangrijk deel van de Indochinese vluchtelingen gaat, blijkt uit onderzoek van de Universiteit van Michigan. Gemeten naar de California Achievement Test (CAT) die een nationale standaard vertegenwoordigt, blijkt de helft van de vluchtelingenkinderen met wiskunde ruim boven het landelijk gemiddelde te scoren. Nog opzienbarender is dat 27 procent van deze groep behoort tot de 10 procent beste presteerders. De resultaten van deze leerlingen liggen bijna drie keer hoger dan de nationale norm.

Er werden gegevens verzameld over 6750 Aziatische bootvluchtelingen. Bij een a-selecte groep hieruit van 200 families met in totaal 536 schoolgaande kinderen werd nader onderzocht welke factoren het succes van deze leerlingen bepalen. De kinderen waren ten tijde van het onderzoek gemiddeld drieëneenhalf jaar in de Verenigde Staten. Ze hadden tijdens hun vlucht uit Vietnam blootgestaan aan ontberingen en waren maanden, soms zelfs jaren niet naar school geweest. Hoe is het mogelijk dat kinderen die de Engelse taal niet beheersen en in een volstrekt vreemde cultuur terechtkomen zo uitzonderlijk goed presteren?

De onderzoekers suggereren dat er misschien helemaal niet zo veel mis is met het Amerikaanse onderwijssysteem als vaak wordt verondersteld, maar dat de problemen veeleer op het sociale vlak liggen. Het onderwijs heeft noodgedwongen nogal wat taken van ouders overgenomen en komt daardoor niet toe aan haar eigenlijke opdracht: het overdragen van kennis.

Uit het onderzoek naar de families van Vietnamese bootvluchtelingen blijkt dat vier factoren een duidelijke correlatie met de prestaties van de kinderen op school vertonen. Ten eerste is daar het huiswerk. Indochinese leerlingen besteden op de High School gemiddeld drie uur en tien minuten aan hun huiswerk, terwijl hun Amerikaanse schoolkameraadjes het na anderhalf uur voor gezien houden. Huiswerk maken is in Indochinese gezinnen een familie-aangelegenheid. Ook al hebben de ouders zelf nauwelijks onderwijs genoten en spreken ze geen woord Engels, ze helpen hun kinderen met een indeling van het werk en zorgen ervoor dat er ongestoord geleerd kan worden.

Een ander belangrijk punt is dat de oudste kinderen de jongere broertjes en zusjes helpen met hun huiswerk. Ze geven door hoe ze zich de stof eigen moeten maken en leren zelf van het uitleggen. Opmerkelijk is dat in de grotere vluchtelingengezinnen (met rond de vijf kinderen) de beste schoolresultaten worden geboekt. Dat onderzoeksresultaat staat haaks op bevindingen in Westerse landen, waar onderzoek juist aantoont dat grote gezinnen de schoolresulaten van de kinderen drukken.

Een tweede factor is de betrokkenheid van ouders bij de ontwikkeling van hun kinderen, wat zich bijvoorbeeld uit in het hardop voorlezen. Daardoor verstevigt de band tussen thuis en school en krijgen kinderen de boodschap mee dat leren erbij hoort, waardevol is en nog plezierige kanten heeft ook. Het maakt volgens de onderzoekers niet uit of de kinderen in het Engels of in hun oorspronkelijke moedertaal worden voorgelezen. Als er wordt voorgelezen is dit later hoe dan ook terug te vinden in het schoolsucces van de kinderen. In bijna de helft van de vluchtelingengezinnen blijkt een voorleestraditie te bestaan.

Een derde belangrijke factor is de houding van de ouders ten opzichte van de sexerollen van hun dochters en zonen. In gezinnen waar de zonen in de watten worden gelegd blijven de schoolprestaties onder de maat. Waar zonen en vaders helpen in de huishouding scoren de kinderen boven het gemiddelde. De vierde factor tenslotte ligt besloten in de culturele waarden en tradities die door veel van de families in ere zijn gehouden. Juist daardoor waren zij in staat om de eerste, moeilijke tijd in hun nieuwe vaderland zo succesvol door te komen. In gezinnen waar weinig waarde werd gehecht aan materieel bezit en het streven naar "fun and excitement' niet hoog genoteerd stond, presteerden de kinderen het best.

Het Amerikaanse onderwijs zou er bij gebaat zijn, denken de onderzoekers, wanneer scholen minder sociale taken op hun nek kregen en en zij ouders ervan konden overtuigen dat een grotere betrokkenheid bij de opvoeding van hun kinderen tot betere school-prestaties leidt. Als ouders ook nog in staat zouden zijn thuis een sfeer te scheppen waarin leren als leuk wordt ervaren, zou het Amerikaanse onderwijs er een stuk beter voor staan.

Scientific American, februari 1992