AID ontmoet getier en gekijf op boerenerf

GRONINGEN, 2 APRIL. “Als het erf er rommelig uitziet, geeft het vaak een indruk van hoe de beesten worden verzorgd”, zegt AID-ambtenaar Menze Hamstra. We staan voor een vervallen boerderij die omgeven wordt door een haag van oude rommel. Een badkuip, de helft van een chassis, een groen uitgeslagen zeilplank, twee kapotte, antieke invalidewagens en een stel roestende landbouwmachines. "Alles is te koop', staat op een bord.

Hamstra (30) is controleur bij de Algemene Inspectiedienst (AID) van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij. Voor een werkbezoek heeft hij altijd laarzen achterin zijn Audi. Zijn collega, de hoofdcontroleur Egbert Seubers (39) blijft bij de auto wachten.

Behendig schuift Hamstra een brede plank over de modder. We naderen traag, ternauwernood ons evenwicht bewarend, een ingezakte schuur. Wanneer we vlakbij zijn steekt plots een paard zijn hoofd door het kapotte dak.

In de trog ligt geen voer, de waterbak is leeg. Eén paard heeft een huidziekte. De half ingestorte schuur biedt nauwelijks beschutting tegen de gure wind. Buiten staat nog een aantal dieren. Een paard raakt verstrikt in een rol prikkeldraad die op het weiland ligt.

Langs een zestal oude auto's wurmen we ons weer terug. De auto's, Opels, liggen vol troep; gebutste pannen, textiel, kranten. Op het dashboard van een ervan ligt een aanmaning om binnen twee weken 2500 gulden boete te betalen. De eigenaar van de paarden is niet thuis.

Negentig procent van de boeren die hun dieren verwaarlozen is vrijgezel, zegt Seubers later achter de koffie. “De inwonende vader die altijd de dieren verzorgde is doodgegaan bijvoorbeeld. Dan staat iemand er opeens alleen voor.” Maar ook "geslaagde' boeren nemen soms teveel hooi op hun vork. “Als ze minder geld voor de melk krijgen, denken ze: ik neem er schapen bij voor de ooipremie, maar ze vergeten dat schapen heel bewerkelijk zijn”, aldus Seubers. En na verloop van tijd staat dan de AID voor hun neus.

Het weghalen van dieren is een laatste stap, die pas na overleg met de officier van justitie wordt genomen. “De officier heeft het liefst dat de boeren zelf voor de verkoop van hun dieren zorgen. Anders worden dieren die in beslag zijn genomen in afwachting van de uitspraak van de rechter naar een opslaghouder gebracht”, een soort asiel voor landbouw huisdieren. Zou de rechter beslissen dat de dieren niet verwaarloosd zijn, dan moeten ze terug. Maar ze hebben nog nooit een sepot meegemaakt.

Ze hebben beiden een boerenverleden. De vader van Seubers had een gemengd bedrijf, Wenze volgde een landbouwopleiding en werkte jarenlang als agrarische uitzendkracht. Wanneer iemand ziek werd op een boerderij hielp hij het bedrijf gaande te houden. Die landbouwachtergrond is een vereiste om bij de AID te kunnen werken. “Omdat je zelf op een boerderij gewerkt hebt weet je wanneer er sprake is van verwaarlozing en wanneer niet.”

Over de Schotse Hooglander die in Peize op ons af komt strompelen is geen twijfel mogelijk. Ondanks de zware vacht is te zien dat het dier sterk vermagerd is. “Te krap voer”, meent Seubers. Hij wijst op de poten van het dier: “En de klauwen moeten nodig bekapt worden.” De koe beweegt zich moeizaam door de modder. De hoeven zijn tot wanstaltige tenen uitgegroeid. Seubers rapporteert overtreding van artikel 455 van het wetboek van strafrecht: “Het onthouden van de nodige zorg”. De dieren worden beheerd door een "ecologisch' adviesbureau.

“Laatst waren we bij een boer waar een koe al tien dagen in haar eigen drek lag”, vertelt Seubers. “Moet je je voorstellen wat een doorligplekken dat dier had. Ik zeg: Denk je eens in dat dat een mens is. Dat doet toch ontzettend pijn. "Het is maar een koe', zegt die boer. Heeft die dan geen gevoel? Daar had hij nog niet bij stilgestaan.”

“Dat was een redelijke”, zegt Hamstra. “Ja, vaak is het getier en gekijf”, beaamt Seubers. Of erger. Seubers vertelt over een boer die bovenop hem was gesprongen en hem met een schep van het erf had geslagen. Maar het valt wel mee met de agressie, vinden ze.

Op veemarkten en boerderijen, overal controleert de AID de naleving van een baaierd aan regelingen. Van voorzorgen tegen aardappelmoeheid tot het gebruik van verboden diermedicijnen. Of ergens wilde haver groeit. Of niet gier in het oppervlaktewater wordt gedumpt. Of de mest op kleigrond geïnjecteerd wordt. Of op land dat niet bewerkt mag worden, niet stiekem gehooid wordt. Of boeren niet voor een hogere ooipremie meer schapen opgeven dan ze hoeden. De AID houdt toezicht, overal en altijd.

Ook al zit Hamstra in de trein, een dood schaap in het weiland zal hem niet ontgaan. “Daar ga ik kijken natuurlijk.” Maar de meeste bezoeken leggen ze af na "tipwerk'. Vooral in de zomer komen veel tips binnen. Dan worden noordelijke provincies overspoeld door vakantiegangers die de AID op verwaarloosde dieren wijzen. Dat zijn niet altijd de beste tips. “Als een schaap in de modder heeft gelegen denken ze al dat het dier verwaarloosd wordt.” De echte tips moeten toch komen van de boeren zelf. En die doen dat nauwelijks.

Vaak hebben mensen kennis van misstanden, veehandelaren, chauffeurs van melkwagens, buren. Maar pas achteraf zeggen ze: Goed dat jullie zijn gekomen, het was al jaren een bende daar. Soms krijgen de AID-ers van iemand te horen: “Ik zeg het niet, maar ik wil het wel opschrijven, als jullie even niet kijken”.