Zwarte bommen

Het einde van de Sovjet-Unie blijkt nu, zoals men op zijn vingers kon natellen (en ook heeft gedaan), het begin te hebben gemarkeerd van een chaos in de ontwapening.

Vorige week meldde U.S. News & World Report dat voor de tweede keer "een paar kernwapens' uit een Russisch arsenaal zijn verdwenen. Dit weekblad is niet de betrouwbaarste bron, maar het heeft de waarschijnlijkheid aan zijn kant. Als er al een levendige, illegaal geprivatiseerde export in conventioneel wapentuig bestaat, als Russische kerngeleerden voor een paar dollar per maand door de Amerikanen worden gehuurd, militaire hijskraanhelikopters in dienst van Westerse oliemaatschappijen werken, als overal de moraal van de vrije en vooral de zwarte markt wortel schiet, waarom zouden er dan geen kernwapens in de circulatie raken? Als de beheerders eenmaal op het idee zijn gekomen, duurt het niet lang meer voor ze eraan zijn gewend en daarna is het alleen nog een kwestie van smokkeltechniek. De klanten uit het Midden-Oosten staan in de rij. Er is een voorraad van omstreeks twintigduizend, de erfgenamen zijn het er nog steeds niet over eens wie de rechthebber is en de administratie en de bewaking zijn niet meer van het kaliber uit de Koude Oorlog. Is er vorige week geen kernbom weggeraakt, dan zal dat de volgende maand of, bij voortgezet beleid, volgend jaar gebeuren.

"Bezorgd' is men natuurlijk al veel langer. Nog voor de coup tegen Gorbatsjov vroegen vooral de Duitsers, die alle kennis daaromtrent uit de eerste hand hebben, zich af wat er met de enkele tienduizenden kernwapens van de vroegere vijand moest gebeuren. Zoals de bodem van het vroegere socialistische rijk tot tientallen meters diep is vergiftigd, zo is de toekomst van de vrede vervuild door de arsenalen met hun roestende hekken en bewakers van wie er zeker wel een paar op nachtelijke klandizie wachten. De erfenis van het socialisme is multidimensionaal; de eerste dimensie van de verwerking moet nog worden ontdekt.

Een jaar of drie nu duurt de discussie over de manier waarop hulp aan de vroegere vijand moet worden gegeven. Dat er nog zo weinig van is gekomen, behalve om voor de hand liggende redenen in het verenigde Duitsland, heeft drie oorzaken. De instanties die voor het ontvangen en verder distribueren in aanmerking zouden komen, zijn zelf in staat van ontbinding of reorganisatie. De maatschappij waaraan de hulp ten goede zou komen kan die, bij een overmaat aan corruptie en gebrek aan kennis en infrastructuur, niet verwerken. De behoefte is zo groot - West-Duitsland pompt alleen al negentig miljard per jaar in de Oostelijke Länder, nog afgezien van het personeel - dat men niet weet waar men zou moeten beginnen. Aan een Marshallplan-achtige onderneming valt niet te denken.

Is het daarom, gegeven deze obstakels, het beste tegenover een chaos een chaotisch beleid te stellen met hier eens wat humanitaire hulp, daar een joint venture, nog eens de reorganisatie van een plaatselijke industrie en verder Gods water over Gods akker? Die politiek zou het Westen zich kunnen veroorloven als de omwenteling tot Albanië en Roemenië beperkt was gebleven. Maar als de grote republieken van het GOS en, in mindere mate, de vroegere leden van het Warschau Pact politiek, diplomatiek en economisch op dezelfde schaal aan hun lot worden overgelaten als nu gebeurt, dan is de kans veel groter dan vijftig procent dat de chaos zal groeien, en de kans dat het Westen daarvan binnen een paar jaar de gevolgen zal ondervinden loopt tegen de honderd.

Het vraagstuk van het voormalige Warschau Pact is ook een Westerse zaak, ingewikkelder en potentieel gevaarlijker dan het militaire probleem toen het Pact in zijn nadagen was. Het probleem van het Westen daarbij is dat, terwijl het aan diagnosen niet ontbreekt en de risico's dagelijks worden geteld, er een politieke verlamming intreedt voor er ook maar het ontwerp van een remedie is geformuleerd. Behalve opnieuw in Duitsland, wordt er in West-Europa niet eens een behoorlijke debat over gevoerd. Er is hier een onbegrijpelijke afstand tussen de kennis van zaken en het begrip voor de urgentie gepaard aan de bereidheid tot handelen.

Zelfs bij alle afleidingen van de verkiezingsstrijd is het in de Verenigde Staten anders gesteld. Het debat over de toekomst van de voormalige Sovjet-Unie en de Amerikaanse rol daarin gaat door; de kritiek op de traagheid van de president wordt feller. Het meest recente voorbeeld van zo'n bijdrage tot de discussie heeft Henry Kissinger geleverd met een opstel waarin hij bij beperkte economische en technische hulp een gedifferentieerde politiek tegenover de belangrijkste republieken van het GOS voorstelt. Afgezien van de feitelijke merites, wordt dit denkwerk gekenmerkt door wat er niet instaat. Met geen woord rept Kissinger van een Westeuropees belang of verantwoordelijkheid, laat staan een rol voor dit deel van de wereld. Zoals in de tijd van de Koude Oorlog het geval was, zijn in het Amerikaanse concept de Europese partners als beleidsmakers stilzwijgend afgeschreven.

Inventariseert men de resultaten van het Europees politiek vernuft over de laatste drie jaar, dan moet men tot de conclusie komen dat dit niet zo verbazingwekkend is. Vóór de top in Maastricht is hier in het perspectief van de grote gebeurtenissen al niet veel bijzonders bedacht. Maastricht had het begin kunnen zijn van een samenwerking tussen de leden van de EG om de rest van Europa via een plan met verbeeldingskracht - dat zich bij de uitwerking verder zou ontwikkelen - de overtuiging te geven dat we het niet in chaos laten verzinken. In plaats daarvan zijn de EG-staten zelf verzonken in recessies, dreigende recessies en bijbehorende lokale partijstrijd. De dreiging van de internationale situatie is anders, maar de lethargie van West-Europa doet sterk denken aan die van de jaren dertig.