Sociale Verzekeringsraad weerspreekt kritiek op uitvoeringsorganen; "Geen operationeel criterium van ziekte'

ZOETERMEER, 1 APRIL. De politiek geeft de uitvoeringsorganen de schuld van de wildgroei in de WAO, maar dat is niet terecht. Dat zegt prof. mr. W.J.P.M. Fase, voorzitter van de Sociale Verzekeringsraad, in een reactie op het pleidooi van de VVD, D66 en Groen Links voor een parlementair onderzoek naar het functioneren van die organen.

Volgens Fase is de wildgroei van de WAO niet te wijten aan de bedrijfsverenigingen of de Gemeenschappelijke Medische Dienst, maar aan de wetgever. “De wet kende tot dusver geen toegangsdrempels,” aldus Fase. “Een operationeel criterium van ziekte ontbrak. De rechter, dus de centrale raad van beroep, gaf op verzoek zo'n ruime interpretatie dat "ziek voelen' bijna gelijk werd gesteld aan "ziek zijn'. De politiek zegt nu dat het bij de uitvoeringsorganisaties een rommeltje is, maar zo liggen de zaken niet.”

De oppositiepartijen lanceerden hun pleidooi voor een parlementair onderzoek gisteren na de publicatie van een vernietigend rapport van de Algemene Rekenkamer over het toezicht van de Sociale Verzekeringsraad. Fase toont zich over dat rapport “niet verrast”. Want “wij waren al eerder tot de conclusie gecomen dat het SVR-secretariaat niet was toegesneden op een effectief toezicht.”

Bij zijn aantreden als voorzitter, per 1 januari 1988, constateerde Fase dat de 25 afdelingen binnen de SVR teveel langs elkaar heen werkten. Hij voerde in 1990 een forse reorganisatie door; zo werd er per 1 maart 1991 een apart Directoraat Toezicht gevormd. Fase: “Maar wij onderzochten tot dusver, steeksproefsgewijs, vooral of uitkeringen terecht werden uitbetaald, en niet of de uitvoeringsorganen goed functioneerden.”

De SVR constateert al vele jaren dat het aantal WAO-ers de pan uitrijst. Maar heeft u ook de alarmbel geluid?

“Wij hebben onze zorg uitgesproken. Maar de bedrijfsverenigingen hebben pas sinds 1987 de bevoegdheid in overleg te treden met arbeidsongeschikten die nog wel ander werk kunnen verrichten. En pas sinds 1 maart 1992 kunnen ze harder optreden. De GMD kreeg pas in 1986 de taak van arbeidsbemiddeling toebedeeld. Wij houden nu stelselmatig bij wat de score is van een GMD bij de herplaatsing van mensen.”

De indruk bestaat dat de uitvoeringsorganen grote, logge organisaties zijn die fungeren als uitkeringsfabriek, met hoge uitvoeringskosten.

“Dan zeg ik: er is in Nederland geen uitvoeringsorganistie waar de externe accountant heeft geweigerd een goedkeurende verklaring af te leggen. De SVR werkt momenteel aan het opstellen van een model van een "ideale' bedrijfsvereniging, met kengetallen per uitkeringsgerechtigde waarop je elke bedrijfsvereniging kunt aanspreken. Overigens worden de uitvoeringsorganisaties de laatste jaren overstroomd met ik weet niet hoeveel nieuwe wetgeving. Toch zijn toestanden als bij de Informatiseringsbank uitgebleven. De integratie van de Sociale Verzekeringsbank en de Raden van Arbeid, een gigantisch proces, verliep goed.”

En de fusie van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (waarin de bedrijfsverenigingen samenwerken) en de GMD's?

“Die zou oorspronkelijk per 1 augustus effectief worden, maar daar treedt nu enige vertraging op, omdat de ondernemingsraden moeten adviseren. De SVR mengt zich als toezichthouder in de randvoorwaarden voor die fusie.”

Waarom kwam de Rekenkamer nu plotseling met zo'n kritisch rapport?

“Sinds 1989 heeft de Rekenkamer de bevoegdheid de sociale zekerheid te onderzoeken. Het is logisch dat ze bij de SVR beginnen. Maar het Rekenkamerrapport geeft beslist geen aanleiding voor politici om het functioneren van uitvoeringsorganisties te onderzoeken. President Koning heeft gisteren nog eens duidelijk gezegd dat de Kamer de doelmatigheid van die organisaties niet heeft onderzocht.”

Maar is het wel zo verstandig om de uitvoering van een aantal sociale verzekeringen over te laten aan organisaties die door werknemers en werkgevers worden gedomineerd?

“Ik vind dat een goede zaak. Zeker nu sinds 1 januari 1992 het toezicht in handen is van een onafhankelijke Toezichtkamer die in het openbaar rapporteert.”