Nederlandse bedrijven missen kansen in Duitsland

Het Nederlandse bedrijfsleven laat kansen liggen in het verenigde Duitsland. De export naar dat land neemt weliswaar toe, maar het marktaandeel van Nederland slinkt. De concurrentie profiteert meer van Duitslands inhaalmanoeuvre.

Het internationale bedrijfsleven profiteert volop van de Duitse eenwording. De hereniging met de vroegere DDR heeft de investeringen aangejaagd. In het oosten van het land worden in snel tempo de kaalslag en infrastructurele armoede van het communisme weggewerkt. Nederlandse bedrijven pikken ook een graantje mee; Duitsland was al een belangrijke handelspartner, en door de val van de Muur heeft deze relatie aan volume gewonnen. Alleen: te weinig. De Nederlandse exportgroei naar Duitsland is opvallend minder dan die van de concurrentie. De industriële schraalheid van een handelsnatie is één oorzaak, zelfgenoegzaamheid een andere.

“Het gaat om die onveranderlijke houding van Nederland dat zich goed, zelfs bijna onaantastbaar vindt in de buitenlandse handel. Dat is zeer dubieus”, zegt drs. J.J. Atema, directeur van de Nederlands-Duitse Kamer van Koophandel in Berlijn. Hij geeft degenen die de Nederlandse prestaties in Duitsland goed vinden zelfs een flinke veeg uit de pan. “De Nederlandse handel is goed voor de korte termijn. Maar Nederland toont zich geen investeerder voor de lange termijn”, zegt Atema. Hij vreest dat de beperkte interesse van Nederlandse bedrijven om in Oost-Duitsland te investeren nadelige gevolgen krijgt voor de hele Nederlandse positie op de Duitse markt.

De cijfers ogen rooskleurig. De Nederlandse export naar Duitsland is vorig jaar toegenomen met 10,9 procent. De Duitse markt is nu goed voor bijna dertig procent van de totale Nederlandse uitvoer. Maar van de topleveranciers van Duitsland heeft alleen Nederland een verkleining van het marktaandeel moeten registreren: van 10,3 naar 9,7 procent.

Het sluiten van deals voor de kortere termijn blijft een vaardigheid waarin Nederland bedreven is. Ook de Nederlandse exporteurs van auto's raakten in een juichstemming bij de sloop van de Berlijnse Muur. Zij profiteerden van de Oostduitse vraag met een hausse aan verkopen van tweedehands auto's.

Maar de Italianen en Fransen investeerden in dealernetten in de nieuwe deelstaten. Snel na de val van het communisme waren het de nieuwe autodealers die met wapperende vlaggen van niet alleen Duitse merken maar ook van Renault, Fiat en Japanse merken, een symbool vormden van de nieuwe tijd. Nederlandse tweedehands auto's worden slechts één keer verkocht. Een dealernet betekent een investering om een aandeel te veroveren van een markt die blijft, ook als de eerste vervanging van Trabants voorbij is.

Bij de overneming van Oostduitse bedrijven zijn volgens Atema landen als Frankrijk, Oostenrijk en ook de Verenigde Staten veel actiever dan Nederland. Dat geldt zelfs voor sectoren als de voedselverwerkende industrie waarin Nederland traditioneel sterk is.

Hij betwijfelt of zelfs de positie van de Nederlandse tuinbouwexport naar Berlijn veilig is. De neiging bestaat om in Brandenburg, vlakbij Berlijn, kassenbouw te beginnen. Daardoor verminderen de kansen van het Westland, dat nu dagelijks de tomaten per vrachtauto oostwaarts stuurt.

Volgens een woordvoerder van het Centraal Bureau Tuinbouwveilingen (CBT) in Zoetermeer realiseren Nederlandse telers en exporteurs zich dat in Oost-Duitsland een belangrijke concurrent voor het Westland kan ontstaan. De ontwikkeling wordt nauwkeurig gevolgd, maar voorlopig zou Nederland vooral technisch nog een grote voorsprong hebben. Als men in Duitsland tot kassenbouw wil overgaan, zijn daarvoor grote investeringen nodig. Bij het CBT is nog geen Nederlandse teler bekend die besloten heeft zelf in Duitsland een bedrijf op te zetten, maar de kans dat op die manier in de toekomst op dreigende concurrentie wordt gereageerd beschouwt men als voor de hand liggend.

Het was C.W.A.M. van Paridon, medewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, die eerder dit jaar een kritische beschouwing wijdde aan de Nederlandse positie op de Duitse markt in het economenblad Economisch Statistische Berichten. De 10,9 procent omvang van de groei van die export is slechts één cijfer. Die groei is, als gevolg van de Duitse eenwording, veel groter dan de toename van de totale Nederlandse export vorig jaar, die drie procent bedroeg.

Pag.16: "We exporteren te weinig eindprodukten'

De Nederlandse prestatie kan ook met behulp van andere cijfers worden bekeken, waarna een veel minder vrolijk beeld ontstaat. Van alles wat de Bondsrepubliek Duitsland in 1989 invoerde kwam 11,8 procent uit Frankrijk, 10,3 procent uit Nederland, 8,9 procent uit Italië en 6,9 procent uit België/Luxemburg. In 1991, in het door de eenwording groter geworden Duitsland, had Frankrijk het marktaandeel vergroot tot 12,2 procent, Italië tot 9,3 procent, België/Luxemburg tot 7,2 procent.

De groei van de Nederlandse uitvoer naar Duitsland is prachtig, zegt Van Paridon, maar andere landen hebben het beter gedaan. Hun marktaandelen zijn in het herenigde Duitsland niet kleiner geworden maar juist uitgebreid. De vraag is waarom Nederland vorig jaar minder profijt heeft getrokken dan andere landen van de snelle veranderingen op de Duitse markt sinds de hereniging van Oost- en West-Duitsland.

Paridon veronderstelt dat het achterblijven van Nederland op de Duitse markt te maken heeft met de aard van ons exportpakket. De Nederlandse uitvoer bestaat voor een relatief groot deel uit landbouwprodukten (24 procent, terwijl de landbouw slechts 13 procent van de totale Duitse invoer uitmaakt).

Veel belangrijker bij de Duitse import zijn industriële eindprodukten, onder andere machines en auto's. Die categorie in de Duitse statistieken behelst 73 procent van de Duitse invoer.

Atema, die sinds 1976 de Kamer van Koophandel in de vroegere DDR leidde, ziet enorme groeimogelijkheden op de Oostduitse markt. “Maar goede handel komt pas na investeringen.” Hij houdt er rekening mee dat de nieuwe Duitse deelstaten geduchte concurrenten worden voor Nederland.

Het Nederlandse exportpakket heeft echter relatief weinig te bieden aan industriële eindprodukten. De vraag daarnaar is sterk toegenomen sinds het proces van vernieuwing van de Oostduitse infrastructuur is begonnen en Oostduitsers de rammelende consumentengoederen van de communistische economie - indien enigszins mogelijk - hebben vervangen door produkten van de markteconomie waartoe ze nu behoren. Van de Nederlandse uitvoer naar Duitsland behoorde vorig jaar 49 procent tot de categorie industriële eindprodukten. De export naar Duitsland van Italië, een van de landen die sinds de Duitse hereniging het marktaandeel zagen groeien, bestond vorig jaar voor 68 procent uit industriële eindprodukten. De vraag naar goederen van die categorie uit Italië steeg in één jaar tijd explosief. Vorig jaar exporteerde Italië ruim 24 procent meer industriële eindprodukten naar Duitsland dan in 1990.

Bij de groei speelde een belangrijke rol de export van Italiaanse auto's, waarmee werd ingespeeld op het Oostduitse verlangen om zo snel mogelijk van de pruttelende Trabants verlost te worden. Het belang van die auto's is een van de redenen waarom G. van Welzenis, medewerker van het Centraal Planbureau, vindt dat er voor het alarm van Van Paridon over de Nederlandse marktpositie in Duitsland geen reden is.

Hij voorspelt dat de vraag naar duurzame consumptiegoederen in de nieuwe Duitse deelstaten snel verzadigd is. Dan neemt de invoer van die produkten af en verzwakt de marktpositie van landen als Frankrijk en Italië weer.

Bovendien verwacht hij dat Nederlandse bedrijven, als belangrijke toeleveranciers van Duitse industrieën, een toename van uitvoer kunnen verwachten als het economische veranderingsproces in Oost-Duitsland leidt tot grotere investeringen in machines. Want machinebouw, dat is een van de krachtige peilers van de Westduitse industrie.

Drie medewerkers van het ministerie van economische zaken hebben in een artikel in Economisch Statistische Berichten ook al Van Paridons signalering van de verzwakte Nederlandse positie in Duitsland schouderophalend terzijde gelegd. “De daling van het marktaandeel in Duitsland lijkt voornamelijk een gevolg te zijn van een in essentie eenmalige vraagimpuls”, was hun geruststelling in het economenblad.

Na de investeringen die ondernemingen doen in de overneming van voormalige Oostduitse staatsbedrijven, wordt spoedig een golf van investeringen verwacht in nieuwe fabrieksgebouwen en machines. “De overgang naar de markteconomie betekent een tunnel van ellende met bedrijfssluitingen en werkloosheid, waarna grote mogelijkheden ontstaan”, zegt Atema in een nieuw kantoor in de Friedrichstrasse, de buurt in het voormalige Oost-Berlijn waar de grijze architectuur van het communistische tijdperk in razend tempo wijkt voor vestigingen van bedrijven die bij de ontwikkeling van het herenigde Duitsland vooraan willen staan.

Volgens Atema is het een illusie te denken dat de markt in de nieuwe deelstaten (die op hun beurt veel relaties verderop in Oost-Europa hebben) bediend kan worden via de traditionele handelscontacten die Nederlandse exporteurs vooral dichtbij de grens hebben, in Noordrijn-Westfalen. De kans bestaat op een herhaling van het verschijnsel dat eerder was te zien in Zuid-Duitsland, waar exporteurs als Frankrijk en Italië sneller profiteerden van een grotere economische groei dan Nederland, dat meer op het oude Roergebied was gericht.

Stork, een van de grote Nederlandse toeleveranciers van de Duitse machinebouw, moest vorig jaar volgens dr. J.C.M. Hovers, de voorzitter van de raad van bestuur, vaststellen dat bediening van de vroegere DDR via de traditionele Westduitse distributiekanalen weinig zoden aan de dijk zette. Het verlies van de export naar de DDR (die in 1989 nog een waarde had van 54 miljoen gulden) werd voor Stork in 1990 gecompenseerd door een stijging van de export naar West-Duitsland van dertig procent. Maar vorig jaar was er al bijna geen sprake meer van stijging van de uitvoer naar Duitsland.

Volgens de inzichten bij Stork moeten nieuwe kanalen aangeboord worden om te kunnen profiteren van groei in Oost-Duitsland. Daarom heeft Fritz Hirsch Rohrleitungsbau in Essen, een dochteronderneming van Stork, in Duitsland ook de Erkelenzer Bohrgesellschaft overgenomen met een eigen nieuwe vestiging in het Oostduitse Leipzig.

Bij onderzoek in Noordrijn-Westfalen - waar in Düsseldorf de Nederlands-Duitse Kamer van Koophandel is gevestigd die de deelstaten van de oude Westduitse Bondsrepubliek bestrijkt - is overigens gebleken dat ook de positie van Nederland als toeleverancier van de Duitse industrie hier meer last heeft van Franse en Italiaanse concurrentie. Van de Italiaanse export bijvoorbeeld gaat nu voor zeven miljard mark per jaar naar Noordrijn-Westfalen, na de export voor tien miljard naar Beieren en voor acht miljard naar Baden-Württemberg.

De recepten die bij de alarmgeluiden voor verbetering van de Nederlandse marktpositie in Duitsland worden gegeven zijn overigens vaag. Volgens Van Paridon moet het Nederlandse exportpakket anders worden samengesteld, met meer industriële eindprodukten waarnaar in ons belangrijkste exportland zo'n grote vraag is. Maar over de samenstelling van een exportpakket wordt niet centraal beslist. Het is het resultaat van besluiten van individuele ondernemers die geen Nederlands exportpakket, maar hun eigen winst op het oog hebben.

Atema is ervan overtuigd dat het midden- en kleinbedrijf meer dan tot nu toe het geval is gesteund moet worden. Bij de opvatting van de regering dat de overheid geen exportpromotie meer moet financieren in landen die lid zijn van de OESO zou wat hem betreft een uitzondering gemaakt moeten worden voor de nieuwe Duitse deelstaten. Die deelstaten behoren tot Duitsland en daarmee tot de OESO, maar ze zijn wel een heel nieuw gebied. Atema zegt van het ministerie van economische zaken in Den Haag zodanige signalen te hebben gekregen dat hij goede hoop heeft dat er overheidsgeld voor exportpromotie komt.

Overigens is er een belangrijk punt dat bij de analyses van de Nederlandse marktpositie in Duitsland buiten beschouwing blijft. Dat is de rol van Nederlandse multinationals. Voor bedrijven als Akzo en Philips heeft de Duitse eenwording minder een vergroting betekend van de Duitse exportmarkt alswel een vergroting van de binnenlandse markt van hun Duitse vestigingen. Bovendien verdween de (voor Akzo belangrijke) DDR als handelspartner. Atema heeft de indruk dat de Duitse vestigingen van Nederlandse multinationals, net als andere Westduitse ondernemingen, vooraan staan om gebruik te maken van de mogelijkheden die de nieuwe Duitse deelstaten bieden.