Mensenrechten onontkoombaar criterium bij hulp; Nieuw is nadruk op "good governance' van ontvangende landen; Scala van rechten maakt al deel uit van internationale relaties

AMSTERDAM, 1 APRIL. “Het is nog niet zo lang geleden dat overwegingen van godsdienstige en morele aard werden ingeroepen om de overheersing van de ene samenleving over de andere te rechtvaardigen, met voorbijgaan van het recht van volkeren om hun eigen keuze te bepalen over de politieke en sociale inrichting van hun samenleving”.

Dat zei prins Claus in december 1986 in een rede ter gelegenheid van het dertigjarig bestaan van de NOVIB. Zijn waarschuwing heeft niets aan geldigheid ingeboet. Toch gaapt er een kloof tussen deze redelijke erkenning van het gevaar van moraliseren en het verwijt van “intimidatie” dat voor Indonesië aanleiding was de ontwikkelingssamenwerking met Nederland te beëindigen. Dat verschil heet: mensenrechten.

Een heel scala van politieke en burgerlijke, sociale en culturele rechten van de mens is in toenemende mate deel gaan uitmaken van de internationale betrekkingen. Verschillende internationale documenten, met de Universele verklaring over de rechten van de mens (1948) voorop, vormen daarvan een getuigenis - ook voor wat betreft de ontwikkelingslanden zelf. Van de Universele Verklaring kon nog worden gezegd dat hij door een aantal Westerse landen in elkaar was gestoken zonder al te veel inbreng van wat later de Derde wereld zou heten. In de loop der jaren zijn de grondgedachten van de Universele Verklaring echter uitgewerkt in een reeks nieuwe verdragen en verklaringen. De vroeg-overleden ontwikkelingseconoom J.P. Verloren van Themaat wijst er in een opstel uit 1981 op dat de Derde wereld een actieve rol heeft gespeeld bij het aanvullen en amenderen van de Universele Verklaring en er zelf aan heeft meegewerkt het mensenrechtenconcept “een zeer brede formele mondiale basis” te geven.

Toch heeft de toepassing van mensenrechten op ontwikkelingsrelaties ontegenzeggelijk complicaties. Deze zijn gelegen in zowel de aard van de internationale mensenrechtendocumenten als het karakter van de ontwikkelingshulp zelf. Deze hulp is vaak immers gericht op zeer elementaire behoeften; gaat een dergelijke directe hulpverlening niet vóór alle andere overwegingen?

Een tweede vraag houdt verband met de omstandigheid dat een aantal van de internationale instrumenten op het gebied van mensenrechten voorzien in speciale procedures van toezicht, die voor alle landen open staan. Deze procedures vormen de eerst aangewezen weg om schending van mensenrechten in internationaal verband aan de orde te stellen. Dienen interventies zelfs niet in beginsel tot deze kanalen beperkt te blijven en vormt de ontwikkelingsrelatie met andere woorden ook vanuit deze juridische invalshoek niet een oneigenlijke weg?

Het is dus oppassen met het toepassen van mensenrechtencriteria in de ontwikkelingssamenwerking. Tegelijk is er geen ontkomen aan, alleen al vanuit de hulpverlening zelf bezien. De statuten van de Wereldbank sluiten politieke overwegingen met zoveel woorden uit; toch vormt politieke instabiliteit (waaronder onder omstandigheden ernstige schending van mensenrechten) wel degelijk een contra-indicatie voor hulpverlening.

De kansen van een geslaagde economische en sociale ontwikkeling in een repressieve maatschappij zijn ook niet erg geloofwaardig, zoals de Adviescommissie mensenrechten van het ministerie van buitenlandse zaken in 1986 opmerkte in een advies over ontwikkelingssamenwerking en rechten van de mens. Wanneer deze rechten niet worden gerespecteerd verliest menig ontwikkelingsproject, gericht op vervulling van basisbehoeften, een deel van het beoogde effect. In een verklaring over het recht op ontwikkeling - die in 1986 tot stand kwam op initiatief van ontvangende landen - verklaarde de Algemene vergadering van de Verenigde Naties eveneens dat de mens centraal staat in de ontwikkelingssamenwerking. Dat heeft ook gevolgen voor zijn rechtspositie.

Tegelijk moest de Adviescommissie in 1986 erkennen dat “de meeste ontwikkelingslanden in een vrijwel voortdurende politieke of economische crisis verkeren”. De commissie wees de gedachte af dat dit hen zou ontslaan van de verplichting de mensenrechten te eerbiedigen, maar zij constateerde “wel een continue enorme druk op de handhaving en verwezenlijking van die rechten”. Met een aantal kernrechten valt echter niet te schipperen, zo bleek uit een voorstudie door het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten in Utrecht over de praktijk bij een aantal donorlanden, variërend van Noorwegen tot de Verenigde Staten. Bijna allen laten zij ernstige en systematische schending van fundamentele mensenrechten zwaar meewegen bij beslissingen omtrent het aangaan, wijzigen of stopzetten van een hulprelatie. Het gaat hier om het recht op leven en veiligheid van de persoon, de vrijheid van godsdienst en meningsuiting en soms ook waarborgen in de justitiële sfeer.

De precieze invulling van wat onder fundamentele mensenrechten wordt verstaan loopt uiteen, evenals de wijze waarop wordt vastgesteld of sprake is van een ernstige of systematische schending. Dat laat dus in de praktijk de nodige diplomatieke speelruimte.

In het Nederlandse beleid staat voorop dat ontwikkelingssamenwerking niet mag worden gebruikt als sanctie. “Hulpverlening dient gericht te zijn op de behoeften van de mensen en niet op het gedrag van regeringen”, heette het reeds in de nota De rechten van de mens in het buitenlands beleid (1979), die nog steeds als een belangrijk richtsnoer geldt. Nieuw is wel een nadruk op “good governance” van de ontvangende landen, een begrip dat naast behoorlijk werkende economische instellingen en doorzichtigheid van beleid ook het primaat van wettelijk vastgelegde rechtsbeginselen en garanties voor mensenrechten en democratie omvat. Ons land erkent dat zich met name op dit gevoelige gebied “meetproblemen” kunnen voordoen, zo bleek 4 februari nog eens in Parijs tijdens een zogeheten landenexamen in het kader van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO). Daarbij wordt ontwikkelingsbeleid van een lidstaat getoetst door examinatoren uit twee andere lidstaten, in dit geval Denemarken en Japan.

Minister Pronk wil de meetproblemen vooral ondervangen door de criteria uit te werken in internationale fora, zoals de ontwikkelingscommissie van de OESO. Ook noemt hij de “human freedom index” van de ontwikkelingsorganisatie UNDP van de Verenigde Naties als een goede graadmeter. “Good governance” valt niet af te doen als het zoveelste product van Nederland-gidsland. Met name Engeland ontplooit een nieuwe assertiviteit op dit punt. In een artikel in de Sunday Times aan de vooravond van de bijeenkomst van het Gemenebest in Harrare wees de Britse minister voor overzeese ontwikkeling Lynda Chaulker vorig jaar de kritiek dat de eis van “ good government” een vorm van neokolonialisme is, zonder veel omhaal af als “claptrap”. Veelbetekenend herinnerde zij “dwalende” of autoritaire regeringen in de Derde wereld er aan dat er tegenwoordig geen marxistische supermacht meer borg voor hen staat.

De a-politieke Wereldbank heeft onlangs een speciaal rapport gewijd aan wat het noemt “The Governance Dimension” van ontwikkelingsbeleid. Dezelfde term figureert ook prominent in een recente resolutie van de EG-ministerraad over het verband tussen mensenrechten, democratie en ontwikkeling. De Indonesische reactie levert interessant materiaal voor de eerstvolgende evaluatiebijeenkomst.