'Kruisvaarders opnieuw op pad'; Arabieren zien eisen Westen als inbreuk op soevereiniteit

Wie volgt na Saddam Hussein en Moammar Gaddafi? Welke Arabische landen zullen als nummer drie en nummer vier door de wraak van Amerika en het Westen worden getroffen? Hoeveel capitulatie eist het Westen nog meer van de Arabische staten?

Die vragen worden in vrijwel de hele Arabische wereld, met uitzondering van de Golfstaten, steeds luider, steeds nadrukkelijker en door steeds meer intellectuelen, journalisten en politici gesteld. Want iedereen beseft dat het Westen onder leiding van Amerika erop uit is om - na Irak - thans Libië te straffen.

Dat is bedoeld - zo zegt het Westen - om het Midden-Oosten veiliger te maken tegen de massa-vernietigingswapens van Irak en om het internationale terrorisme te beteugelen, dat aanwijsbaar met name door Libië zo lang werd gesteund. De drie Westerse leden van de Veiligheidsraad stellen zich op het standpunt dat een berechting van de terroristen in Libië zelf een farce zou zijn, omdat het Libische regime zich achter de terroristen verschuilt. Een rechtsgang in Libië zou betekenen dat rechter, jury en beklaagden allen dezelfden zijn.

Maar alleen in de Golfstaten, die zich uit militaire machteloosheid tegenover hun begerige Arabische en Iraanse buren naar de wensen van Amerika schikken, is men het met deze stelling eens. Elders in de Arabische, maar ook in de islamitische wereld groeit de overtuiging dat “de Kruisvaarders” opnieuw op pad zijn, dat zij de Verenigde Naties en de Veiligheidsraad voor hun eigen machtsdoeleinden gebruiken om die landen in de islamitische wereld die niet naar hun pijpen dansen, mores te leren.

In Amman, Beiroet, Algiers en Rabat worden de eisen van het Westen om de Libische geheim agenten uit te leveren die zeer waarschijnlijk verantwoordelijk waren voor opblazen van een Amerikaans en een Frans verkeersvliegtuig als schandelijk en onredelijk ervaren: een grove inbreuk op de soevereiniteit van een Arabisch land en een aantasting van de Arabische waardigheid. Het Westen zou niet naar vrede of veiligheid in het Midden-Oosten streven, maar juist naar het omgekeerde: naar de vernietiging van al die Arabische landen die een eigen militair-economische infrastructuur hebben opgezet en die structuren niet voor de volle honderd procent in dienst stellen van de Westerse belangen. Dit allemaal om Israel, de voorpost van het Westen, terwille te zijn.

Decennia lang heeft de Arabische wereld de stelling gehuldigd dat de bevrijdingsstrijd in al zijn vormen legitiem en toe te juichen is - en zeker niet met terrorisme gelijk geschakeld kan worden. De Palestijnse groeperingen die de Israelische burgerluchtvaart en Israelische civiele doelen aanvielen, bedreven geen terrorisme maar voerden oorlog als onderdeel van “de gerechtvaardigde strijd”. Toen steeds meer groepen, gesteund en betaald door Arabische regeringen, hun voorbeeld volgden en steeds meer landen buiten het Midden-Oosten met het verschijnsel terrorisme werden geconfronteerd - waardoor de stelling van de gerechtvaardigde oorlog politiek moeilijker te verkopen viel - werden terroristische acties gerechtvaardigd omdat zij gevoerd werden in het kader van de strijd tegen zionistisch of Amerikaans “staatsterrorisme”.

In feite bestaat nog steeds in het hele Midden-Oosten de notie dat alle middelen en alle strijdmethoden in een oorlog geoorloofd zijn. De opwinding in het Westen over terroristische acties van Arabische of islamitische zijde wordt dan ook als pure hypocrisie beschouwd - sterker nog, als onderdeel van de onderdrukkingsoorlog die het Westen met behulp van een “dubbele standaard” voert.

Saddam Hussein slaagde erin die ideeën van de dubbele standaard wereldwijd ingang te doen vinden na zijn invasie in Koeweit. Waarom kon Israel ongestraft Arabische gebieden blijven bezetten, die het in 1967 veroverd had? En waarom moest een Arabisch land dat zijn rechtmatige claim op één van zijn “provincies” waar maakte, daarvoor gestraft worden? Waarom kwam de Veiligheidsraad van de VN tegen Irak wèl, maar tegen Israel niet in actie?

Toen twee weken geleden de (Egyptische) secretaris-generaal van de VN, Boutros Boutros Ghali bij zijn eerste persconferentie daarover door Arabische journalisten werd ondervraagd, oogstte hij een storm van verontwaardiging. Hij zei dat resolutie 242 van de Veiligheidsraad, waarin wordt gesteld dat Israel land tegen vrede moet ruilen, geen besluit van de Veiligheidsraad is, maar een aanbeveling en dus niet dwingend. Bovendien verwijst 242 niet naar hoofdstuk zeven van het Handvest van de VN, dat de Veiligheidsraad machtigt de nodige maatregelen voor het in stand houden van vrede en veiligheid te nemen.

Ghali, die bepaald niet van pro-Israelische sympathieën kan worden beschuldigd, kwam zó onder Arabisch vuur te liggen, dat hij al een paar uur later via zijn woordvoerder een correctie aanbracht. Hij had alleen maar willen zeggen dat 242 “niet met geweld kan worden uitgevoerd”. Het was een waarheid als een koe, omdat de opstellers van 242 het zeer bewust aan de partijen zelf overlieten om 242 ten uitvoer te brengen. Daarom gaven zij niet aan welk land tegen wat voor vrede moest worden geruild.

De woede over Ghali's uitspraak laat zien hoe machteloos men zich in de Arabische wereld voelt tegenover de Nieuwe Orde van George Bush, die algemeen als een Amerikaanse Orde wordt gezien. Volgens een hardnekkige en niet uit te roeien mythe bestaat er zoiets als een Arabische wereld - een combinatie van Arabische staten die een gemeenschappelijk belang en een gemeenschappelijke toekomst nastreven. Die Arabische wereld is er nooit geweest. Maar wèl bestaat er een gemeenschappelijke Arabische idee van machteloosheid tegenover het Westen, die men - als het maar enigszins kan - door gemeenschappelijke actie moet overwinnen.

Nog maar een paar jaar geleden werden die gevoelens verwoord door het Arabische nationalisme in al zijn vormen en soorten. Maar toen de werkelijkheid van de inter-Arabische tegenstellingen niet langer versluierd kon worden, stortte het Arabische nationalisme ineen. De enige, nog geloofwaardige ideologie om zich tegen de overmacht van het Westen te beschermen werd het moslim-fundamentalisme: de islamitische natie zou zich, zoals in vroeger eeuwen, verenigen om de strijd tegen de ongelovigen aan te bonden.

Vandaar de paniek, die de pro-Westerse regimes in het Midden-Oosten en de Maghreb bevangt, als zij aan de gevolgen denken van de sancties tegen Libië. “Ons volk zal niet gelukkig zijn over de gruwelijke sancties tegen Libië”, zei onlangs president Mubarak. De journalisten die van hem afhankelijk zijn en die nog een jaar geleden Saddam Hussein in alle toonaarden bedreigden, nemen het nu op voor het bedreigde broedervolk in Irak. Het semi-officiële Egyptische blad Al-Ahram vond dat de eisen van de Veiligheidsraad aan Libië de Nieuwe Wereldorde vertalen “in een systeem van op schrift gestelde internationale piraterij”.

Nu het Westen zowel Saddam als Gaddafi op de knieën wil krijgen, zitten de Arabische bondgenoten van het Westen voor het bijna onoplosbare probleem hoe zij die gerechtigheid aan hun publieke opinie moeten verkopen.