Intellectuele horror in "Liefhebber'

Voorstelling: Liefhebber van Gerardjan Rijnders door Toneelgroep Amsterdam. Regie: Gerardjan Rijnders. Vormgeving: Hans Klasema. Spel: Titus Muizelaar, Lineke Rijxman, Fred Goessens. Gezien: 31/3 Theater Bellevue, Amsterdam. Nog te zien: aldaar t/m 18/4. Daarna in Rotterdam en Haarlem.

Horror begint altijd vreedzaam. De filmindustrie weet dat al zolang als zij bestaat. Beelden van een kabbelend beekje, een hups meisje met vlechten op een zonovergoten bospaadje of van een verliefd stelletje in een auto brengen de kijker in de juiste argeloze stemming. Niets aan de hand - en dan gebeurt het. Het beekje begint te borrelen, het meisje staat oog in oog met haar moordenaar, de remmen van de auto haperen. De regisseur kan ook de sluipende methode volgen: een opeenstapeling van bizarre, maar op zichzelf onschuldige details bezorgt het publiek een ongemakkelijk gevoel en vervolgens wordt het langzaam maar zeker de hel binnengevoerd.

Die laatste methode hanteert Gerardjan Rijnders in Liefhebber, een door hemzelf geschreven en geregisseerd stuk. Het is een monoloog over het theater, tegen het theater. Heel vilein laat Rijnders de titelheld toneelcriticus zijn: toevallig bestaat er in het echt één met die nu ineens dubbelzinnige naam. Met deze kunstgreep roept Rijnders het beeld op van de kunstenaar die de pest heeft aan zijn critici. Dat zijn haters van de kunst waarover zij berichten, lui, ongeïnteresseerd, blasé, cynisch, broodschrijvers. Het is een benepen rancune. Het zij zoals het is: schaf de criticus vandaag af, morgen vindt de kunst zelf hem weer uit. En omgekeerd. Behalve vilein is Rijnders dus ook kinderachtig.

En incestueus, precies wat zijn Liefhebber het toneel verwijt. Het toneel is als de man die hij laatst op een videofilm zag. Die bevredigde zichzelf. “Hij stak zijn lul / in zijn eigen reet / naar binnen / en dan maar rijden”. Dat is het toneel, "het toneeltoneel'. “Onder iedere straatsteen / woekert het leven / maar niet op het toneel”. Hij walgt ervan, hij gaat er niet meer heen. Morgen belt hij de hoofdredacteur en dan: “Nooit meer / stoppen / naar peru / andorra / bulgarije / maar nooit meer naar toneel”. Liefhebber is een monomane jammerklacht, zoals tot nu toe alleen Thomas Bernhard die schrijven kon.

De titelrol wordt gespeeld door Titus Muizelaar. Hij heeft achterover geplakt haar en hij draagt een regenjas. Die trekt hij niet uit, al komt hij aan het begin van de voorstelling thuis, in het kneuterige burgermanshuiskamertje van decorontwerper Hans Klasema. Het aanhouden van de regenjas is een voorbeeld van een onschuldig detail dat bevreemdt en irriteert. Maar in de korte tijd voor zijn thuiskomst zijn al talrijke vergelijkbare details opgevallen.

Mevrouw Liefhebber (Lineke Rijxman) opent de voorstelling. Ze zit op haar canapeetje, draait klassieke muziek, zet de televisie aan en af, pakt een boek en vervolgens een fles drank. Ze schenkt zich in, morst en staart even voor zich uit. Dan giet zij de in de fruitschaal terecht gekomen drank terug in haar glas en met haar hand neemt zij ook het plasje op tafel even mee. Waarna zij het glas in één teug leegt.

Ze vertoont vlagen van neurotisch gedrag dat langzaam maar zeker verhevigt na de thuiskomst van haar man en nog verder toeneemt nadat haar zoon (Fred Goessens) is binnengekomen. Ook hij is vreemd, vanaf het begin, eerst nog op een onduidelijke manier, maar al snel demonstratief. Rijxmans tekst beperkt zich tot een enkel “Pa” en “Peter!”. Ze legt iets te weinig koelbloedigheid in haar rol en laat soms net iets te duidelijk een aanzet van protest zien. Dat valt op, omdat Goessens zijn hondsmoeilijke aandeel op een zo flegmatiek en vanzelfsprekend mogelijke manier levert. Muizelaar heb ik nog nooit zo goed zien spelen: driftig en niets ontziend, maar beheerst in zijn tekstbehandeling. Hij laat de op papier als moderne poëzie ogende bijna-monoloog leven als een gewone spreektaal.

Verdere beschrijving van handeling en voorstelling moet hier jammer genoeg achterwege blijven. Horror vaart wel bij het onverwachte. En Rijnders schreef en regisseerde met Liefhebber horror, morele en intellectuele horror, maar ook de volkser variant die we uit de bioscoop kennen en nog nooit in het theater zagen. Tegelijkertijd vermoed ik dat deze voorstelling een uitputtende beschrijving kan verdragen: laat het duidelijk zijn dat Rijnders en zijn Liefhebber in het geheel niet zo kinderachtig zijn als ik vreesde. En dat ondanks het magere dramatische idee van Rijnders' stuk: een toneelcriticus klaagt over het gebrek aan drama op het toneel, maar voor het drama dat zich tijdens zijn tirade, thuis voor zijn neus voltrekt, is hij blind. Geen wonder dat hij in het theater niets ziet.

En dit drama is te zien op toneel - waarmee bewezen is dat zelfs "toneeltoneel' dramatisch kan zijn. Het is een dubbele bodem die gemakkelijk in flauwiteiten kan ontaarden. Maar met dit stuk en deze voorstelling toont Rijnders zich een magistrale koorddanser, zeker van zijn levensgevaarlijke zaak. Hij laat moeder en zoon derailleren, op een ontluisterende manier. Men moet zelf maar gaan zien hoe. Het gezin was eerder al doelwit in zijn De Hoeksteen, maar Liefhebber is oneindig veel extremer, en verbijsterend compromisloos. Dat Rijnders zo'n voorstelling durft te maken verbaast me niet, dat het hem lukt is verbluffend.

Hij verkoopt een publiek dat onder meer door zijn toedoen aan alles gewend is geraakt een zeldzaam frontale slag in het gezicht. Veel is déjà vu, de voorstelling doet in veel opzichten denken aan wat Rijnders vroeger bij Globe al liet zien. Met stofdoeken redderende huisvrouwen zijn een oude liefde. Maar de destructie nam niet eerder deze vormen aan. Dat is geen rellerigheid of vuilspuiterij, dat is een onthullende spiegel. Misschien dat daarom na afloop van deze briljante voorstelling ternauwernood werd geapplaudisseerd.