Hoogleraar: studenten blij met kapittelen "kaaskoppen'

BLOEMENDAAL, 1 APRIL. “Het plotseling stopzetten van de juridische hulp aan Indonesië grenst aan kapitaalvernietiging”, zegt prof. mr. G. van der Burght. De afgelopen vier jaar gaf hij in twee tot drie weken per jaar bijscholingscursussen aan ongeveer veertig collega's van verschillende Indonesische universiteiten. Dat daar een gedwongen einde aan komt door de afwijzing van Nederlandse ontwikkelingshulp door de Indonesische regering, vindt hij “zéér te betreuren”.

Als overblijfsel van de Nederlandse overheersing heeft Indonesië op veel vlakken een vrijwel indentieke wetgeving als Nederland. De overeenkomsten betreffen vooral het burgelijkwetboek en het straf- en handelsrecht.

Volgens Van der Burght hebben veel Indonesische juristen een achterstand op het gebied van kennis en inzicht. “Eerlijk gezegd lopen er nogal wat vakmensen rond die pretenderen iets te weten, maar het niet écht weten”.

Zeker, het potentieel is aanwezig maar volgens Van der Burght is het onderwijs nooit echt goed tot ontwikkeling gekomen. Als belangrijkste oorzaken noemt hij de afmetingen van het land en het ontbreken van vakliteratuur.

“Er is inmiddels een aardige bibliotheek opgebouwd. Het is een enorm werk. De Nederlandse boeken moeten vertaald en aangepast worden. Bovendien verloopt de verspreiding van de literatuur erg moeizaam. In Indonesië staan geen uitgevers te springen om vakliteratuur in omloop te brengen. En er is ook geen geld voor dit soort investeringen”, zegt hij.

In Indonesië zijn de hypotheek-wetgeving en het eigendomsrecht onvoldoende duidelijk waardoor bijvoorbeeld banken huiverig reageren op het verzoek van een cliënt om geld te lenen met grond als onderpand.

Gisteren had Van der Burght nog telefonisch contact met enkele van zijn Indonesische studenten. “Men voelt zich gedupeerd, maar aan de andere kant overheerst een gevoel van vreugde dat men de "kaaskoppen' heeft laten weten niet gediend te zijn van hun bemoeizucht”. Een houding waar hij begrip voor heeft. “Nederland had zich terughoudender op moeten stellen met zijn kritiek. Als was het alleen omdat wij in een nabij verleden zelf nogal wat slachtingen hebben aangericht in Indonesië.”

Ds. W.B. van Halsema, verbonden aan het centrum van zending en werelddiaconaat van de gereformeerde kerken in Leusden, zegt: “Nee, wij hebben niets te vrezen. Sterker nog: de Indonesische kerken hebben al laten weten dat we rustig door kunnen gaan.” Van Halsema is secretaris van de sectie Azië. Het bericht dat de Indonesische regering niet langer gediend is van Nederlandse ontwikkelingshulp kwam, hoewel niet onverwacht toch hard bij hem aan, vooral de felle bewoordingen waarin de afwijzing van Nederlands ontwikkelingsgeld was gesteld, zegt hij. “Er waren al signalen dat de Indonesische regering er een punt achter wilde zetten”.

De zendingsactiviteiten van de gereformeerde kerken en de Nederlandse Hervormde Kerk worden door de eigen achterban bekostigd. “Omdat er geen cent overheidsgeld mee gemoeid is, worden wij met rust gelaten”, aldus Van Halsema. Beide kerkgenootschappen brachten dit jaar elk vier miljoen gulden bijeen voor zendingsprojecten in Indonesië, variërend van plattelandsontwikkeling, gehandicaptenzorg en gemeenteopbouw. Op dit moment zijn vanwege de gereformeerde kerken zestien mensen op verschillende locaties werkzaam, de Raad voor de zending van de Nederlandse Hervormde Kerk heeft elf families uitgezonden.