Het DSM-model (2)

De premieverlaging van 20 procent die DSM met verzekeraar Zilveren Kruis is overeengekomen voor zijn ongeveer 4.000 werknemers met een inkomen boven de ziekenfondsgrens, mag dan slechts zijdelings te maken hebben met DSM's verzuimbeleid (zie de krant van gisteren), feit blijft dat het Limburgse concern al enkele jaren een opmerkelijk laag ziekteverzuim kent.

Het verzuim bij DSM bedroeg omstreeks 1980 zo'n 12 procent. Momenteel ligt het op 3,9 procent, terwijl het gemiddelde in de industrie blijkens de jongste TNO-cijfers 6,1 procent bedraagt. Hoe heeft DSM dat gefikst?

Het concern geeft vier redenen. In de eerste plaats is het afgelopen decennium veel aandacht geschonken aan verbetering van de arbeidsomstandigheden. Daarnaast is de bedrijfsgezondheidszorg geactiveerd, wat heeft geleid tot een systeem waarin "verzuimhaarden' in het werk in een vroeg stadium worden gesignaleerd en aangepakt. Verder is met de groei van DSM de leeftijdsopbouw ingrijpend verjongd en is de doorgaans vaker verzuimende oudere lichting, mede door reorganisaties, flink uitgedund.

Tenslotte heeft DSM korter werken van begin af aan rechtstreeks aan het verzuimbeleid gekoppeld, waardoor "arbeidsvoorwaardelijke stimulansen' werden ingebouwd lang voordat de term werd uitgevonden en de vakbeweging moeilijk ging doen over "negatieve prikkels'.

DSM'ers hebben, zoals gebruikelijk in de industrie, recht op circa 25 vakantiedagen, voor jongeren een paar dagen minder, voor werknemers in ploegendiensten en ouderen een paar dagen meer. In andere bedrijven zijn daarnaast in de loop van de jaren tachtig door arbeidstijdverkorting extra vrije dagen ontstaan, bijvoorbeeld in de vorm van roostervrije dagen, of ATV-dagen, of, incidenteel, vierdaagse werkweken.

Van zulke oplossingen moest DSM niets hebben. In 1983 wist het concern de vakbonden over te halen een andere weg in te slaan. Gesproken werd niet over ATV-dagen, maar over "extra vrije tijd', die DSM alleen zou geven aan werknemers die in het voorgaande jaar niet hebben verzuimd. Bovendien kregen de niet-verzuimers een bonus in vrije tijd.

Dit zogenoemde extra vrije tijdsysteem is sindsdien uitgebreid en verfijnd en ziet er momenteel in hoofdlijnen als volgt uit. Wie vorig jaar niet ziek is geweest, heeft dit jaar recht op 25 extra vrije dagen (27 dagen voor werknemers in ploegendiensten). Vorig jaar verzuimde dagen worden hierop in mindering gebracht tot een maximum van 18 dagen. Wie vorig jaar dus 10 dagen verzuimde, krijgt dit jaar 15 extra vrije dagen. En wie zich vorig jaar 30 dagen ziek meldde, krijgt dit jaar het "vaste' minimum van 7 extra vrije dagen (25 - 18 dagen).

De werknemer die in de loop van het jaar bij DSM in dienst komt, bouwt voor het volgend jaar geen recht op extra vrije tijd op, ook al verzuimt hij geen dag. Dus wie, bijvoorbeeld, op 1 juli 1992 bij DSM komt werken, kan dit jaar alleen aanspraak maken op de helft van het vaste minimum (3,5 dag) en volgend jaar alleen op het minimum (7 dagen). Pas vanaf 1 januari 1994 ligt het maximum van 25 extra vrije dagen in het verschiet, uiteraard op voorwaarde dat in 1993 geen dag wordt verzuimd.

Dit model flatteert het verzuim-percentage enigszins, erkent DSM. Want het komt voor dat werknemers die 1 of 2 dagen verstek moeten laten gaan wegens ziekte, zich niet ziek melden, maar deze dagen opnemen uit het vaste tegoed van 7 dagen. Zo blijven hun aanspraken op 25 extra dagen voor volgend jaar intact. Maar wie niet verzuimt komt met een totaal van 50 vakantie- en extra vrije dagen heel dicht in de buurt van een gemiddelde werkweek van 32 uur, terwijl de gemiddelde werkweek in Nederland vorig jaar 37,8 uur bedroeg. Misschien is dat wel het geheim van DSM's lage verzuimpercentage.